Plantparasieten van Europa

bladmineerders, gallen en schimmels

Malus

Malus appel

(For a dichotomous table for galls on Malus by Hans Roskam click here)

Dichotome tabel voor bladmineerders

1a mijn in afgevallen bladeren: Neocoenorrhinus pauxillus

1b blaasmijntje, uiteindelijk met een ronde uitsnede => 2

1c vouwmijn => 3

1d primaire blaasmijn zonder begingang, zonder uitsnede => 9

1e gangmijn van begin tot eind (eventueel secundaire blaasmijn) => 16

1f gangmijn die zich tot een primaire blaas verbreedt => 24

1g vlekmijn => 28

1h gallen etc => Tabellen voor alle parasieten per soort

2a minerende larven in mei-juni; de uitsnede is vrijwel even groot als de mijn: Incurvaria pectinea

2b minerende larven in juli-augustus; de uitsnede beslaat slechts een deel van de mijn: Incurvaria oehlmanniella

3a mijn bovenzijdig => 4

3b mijn onderzijdig => 7

4a mijn gecentreerd op een nerf => 5

4b mijn tussen twee nerven => 6

5a volgroeide mijn wit-zilverig, zonder zwarte spikkels: Phyllonorycter leucographella

5b volgroeide mijn door zwarte spikkels vuilgrijs: Phyllonorycter corylifoliella

6a mijn blijft vrij vlak; kleur eerst zilverig, later meestal oranjebruin: Callisto denticulella

6b mijn zeer sterk samengetrokken, blijft zilverig: Parornix petiolella

7a mijn epidermaal, zilverig, later meestal oranjebruin: Callisto denticulella

7b mijn niet epidermaal; epidermis bleekgroen => 8

8Phyllonorycter blancardella sensu lato”. Gregor & Patočka (2001a), en Patočka & Turčáni (2005a) geven een tabel tot de poppen van Ph. blancardella, cydoniella, gerasimovi, mespilella en sorbi. Het heeft geen zin om deze hier te reproduceren, omdat Triberti (2007a) drie nieuwe, deels mogelijk gewone, soorten heeft toegevoegd zonder adequate beschrijving van de poppen of mijnen: Ph. anceps, hostis en pyrifoliella.

9a ovipositieplaats (meestal bladtop) bedekt met een glimmend-zwart druppeltje verhard secreet: Trachys minutus

9b niet zo’n zwart druppeltje => 10

10a mijn voldiep => 11

10b mijn bovenzijdig => 14

11a op zelfde, of naburige (jongere!) bladeren draaddunne, met frass gevulde gangmijntjes; blaas met weinig frass, dat wordt uitgeworpen; klein deel blijft hangen in spinsel onder de mijn: Lyonetia prunifoliella

11b niet aldus => 12

12a mijn in mei: Yponomeuta malinellus

12b mijn in het najaar => 13

13a larve met zwarte kop en bruinig lichaam; leeft later vrij in een gemeenschappelijk spinsel: Scythropia crataegella

13b larve met bruine kop en wittig lichaam; leeft later vrij onder omgeslagen bladrand: Parornix scoticella

14a mijn ca 5 mm, bruin, vaak in aantal; frass in dikke prop: Rhamphus oxyacanthae

14b mijn groter, niet bruin; frass anders => 15

15a mijn met donker centrum; frass in concentrische cirkels: Leucoptera malifoliella

15b mijn zilverig, epidermaal, vaak beginnend als een smalle streep boven een nerf, later breed: Phyllonorycter corylifoliella of Ph. leucographella (jonge mijn)

15c mijn bleekgroen, soms roestkleurig, langgerekt (gangmijn): Phytomyza heringiana

16a bij het begin van de mijn een bol, glimmend, zwart eischaaltje => 17

16b mijn begint niet bij een herkenbaar eischaaltje => 21

17a in tweede helft van de gang frass in boogjes; larve groen, september-october: Stigmella oxyacanthella

17b frass niet in boogjes; larve geel of groen => 18

18a mijn klein en compact, meestal in nerfoksel; gang verwijdt zich vrij sterk; larve geel: Stigmella incognitella

18b mijn langer en losser, gang minder sterk verwijd (soms wel secundaire blaas); larve geel of groen => 19

19a larve geel: Stigmella malella

19b larve groen => 20

20a larve: segment 9 bestekeld: Stigmella magdalenae

20b segment 9 niet bestekeld (niet in Nederland of België): Stigmella desperatella

21a mijn > 3 cm; frass in smalle mediane lijn; larvekamer meer dan driemaal zo lang als breed: Lyonetia clerkella

21b mijn korter, soms zonder frass, larvekamer niet zo slank => 22

22a mijn bovenzijdig, soms interparenchymaal, geelgroen of roestkleurig: Phytomyza heringiana

22b mijn voldiep, transparant (voorzover de frass dat toelaat) => 23

23a mijn vertakt, zonder frass: Recurvaria nanella

23b mijn onvertakt, in nerfoksel, haakvormig, met veel frass: Bucculatrix bechsteinella

24abij begin van de gang een bol, glimmend, eischaaltje => 25

24b geen eischaaltje zichtbaar: Lyonetia prunifoliella

25a ganggedeelte van de mijn niet sterk gekronkeld; frass in smalle middenband => 26

25b ganggedeelte van de mijn sterk gekronkeld; frass in brede middenband => 27

26a larven in juni-juli, heel licht groen (buiten de mijn bekijken!): Stigmella sorbi

26b larven in juli, daarna weer in september-october; lichaam lichtgeel: Stigmella plagicolella

27a in de blaas ligt de frass hoofdzakelijk in het begindeel; larve geel, verlaat de mijn via een onderzijdige uitgang; juni-juli: Bohemannia pulverosella

27b in de blaas ligt de frass over de hele lengte; larve wittig, verlaat de mijn via een bovenzijdige uitgang; eind augustus-october: Ectoedemia atricollis

28a buisvormige zijden zak: Coleophora trigeminella

28b pistoolzak => 29

28c lapjeszak => 30

28d bladzak => 31

29a “handle” met oorachtige aanhangsels: Coleophora currucipennella

29b niet zulke aanhangsels: Coleophora anatipenella

30a de bladstukjes die gebruikt worden om de zak te vergroten worden gesneden uit de bovenepidermis: Coleophora violacea

30b .. uit de onderepidermis: Coleophora potentillae

31a zak versierd met grote stukken blad: Coleophora siccifolia

31b zak onversierd => 32

32a zak > 8 mm: Coleophora hemerobiella

32b zak kleiner: jeugdzakken van Coleophora hemerobiella, en: C. coracipennella, prunifoliae, serratella, spinella

Tabellen voor alle parasieten per soort

Laatste bewerking 9.xii.2020