Tinagma perdicella Zeller, 1839
dwerglepelmot
mijn
Volgens Hering (1957a) boort de jonge larve in de bladsteel, terwijl de oudere larven vrij zouden leven in het hart van de plant. Andere auteurs spreken echter van mineren, soms zelfs expliciet van blad-mineren; een beschrijving van de mijn ken ik niet.
waardplanten
Rosaceae, oligofaag
Fragaria vesca.
Volgens o.m. Hering (1957a) ook Potentilla en Rubus.
fenologie
Larvae “mine” in September (Bengtsson, 2011a).
BENELUX
BE waargenomen (Phegea, 2011).
NE waargenomen (Kuchlein & de Vos, 1999a; Microlepidoptera.nl, 2011).
LUX niet waargenomen (Fauna Europaea, 2011).
verspreiding binnen Europa
Geheel Europa, uitgezonderd de Britse Eilanden, de Middellandse Zee-eilanden en het Balkan-schiereiland (Fauna Europaea, 2011).
larve
Lichaam gedrongen, spoelvormig, met opmerkelijk lange setae; buikpoten zonder haakjes (Heppener, 1987a).
synoniemen
Tinagma perdicellum.
literatuur
Baldizzone (2004a), Bengtsson & Johansson (2011a), Biesenbaum (2002a), Gaedike (1974A, 1978a), Hellers (2017a), Heppner (1987a), Huemer (2012a), Hering (1957a), Kurz & Embacher (2012a), van Roosmalen, Wijker & Knijnsberg (2013a), Schmid (2019a), Szőcs (1977a), Thomann (1956a).