Plantparasieten van Europa

bladmineerders, gallen en schimmels

Apteropeda splendida

Apteropeda splendida Allard, 1860

op Lamiaceae, Plantaginaceae

mijn

Aanvankelijk smalle, snel wijder wordende gang. In het begin is de mijn voldiep, later is hij afwisselend onder- en bovenzijdig. Verpopping buiten de mijn. Geen verschilkenmerken bekend in mijnen of larven met verwante soorten. Zie Doguet (1994a), Warchalowski (2003a) en Rheinheimer & Hassler (2018a) voor de verschillen in de imagines tussen A. orbiculata, globosa en splendida.

waardplanten

Lamiaceae, Plantaginaceae; nauw polyfaag

Ajuga chamaepitys, reptans; Cymbalaria muralis; Plantago major, media; Veronica.

In Oost-Duitsland gewoon op Plantago (Hering, 1963a).

fenologie

Larven in mei-juli (Hering, 1957a).

BENELUX

BE Fauna Europaea (2007).

NE Niet opgenomen in de lijst van Nederlandse chrysomeliden (Beenen & Winkelman, 1993a), maar door Warchalowski (2003a) wel vermeld uit Nederland en België en, mogelijk op zijn gezag, de Fauna Europaea.

LUX Fauna Europaea (2007).

verspreiding binnen Europa

Van Denemarken tot Spanje en Italië en van Frankrijk tot de Ukraine (Fauna Europaea, 2007). Ook, zij het zeer schaars in Ierland en Engeland (Cox, 2007a; Mendel, 1994a).larve

Steinhausen (1994a).

pop

Zie Steinhausen (2002a).

literatuur

Beenen & Winkelman (1993a), Cox (2007a), Doguet (1994a), Hering (1928a, 1930a, 1957a, 1963a), Mendel (1994a), Hubble (2014a), Petitpierre i Vall (1994a), Rheinheimer & Hassler (2018a), Sønderup (1949a), Steinhausen (1994a, 2002a), Warchalowski (2003a).

Laatste bewerking 19.vii.2020