Phrissotrichum tubiferum (Gyllenhal, 1833)

op Cistus

gal

één tot drie larven ontwikkelen zich in een bloem; ze vreten aan de zich ontwikkelende zaden in de doosvruchten. Hier ook de verpopping, in een zachte bruine cocon. De vruchten zijn niet vervormd. De aantasting is te herkennen doordat na het afvallen van de bloemen de verdroogde meeldraden aan de vrucht blijven hangen (en evt. ook aan het gaatje waardoor de kever de vrucht heeft verlaten).

waardplanten

Cistaceae, monofaag

Cistus albidus, monspeliensis, salviifolius.

synoniemen

Apion tubiferum.

literatuur

Alonzo Zarazaga (1981a), Avgın & Colonnelli (2011a), Colonnelli, Osella & Cornacchia (2011a), Ehret (1990a, 1997a), Friedman & Freidberg (2007a), Germann & Moretti (2006a), Houard (1909a), Sanz Benito, García-Ocejo Izquierdo & de los Mozos Pascua (1996a), Tomasi (2012a), Ugarte San Vicente (2005a).

mod 24.vi.2019