Rhynchites caeruleus (DeGeer, 1775)

twijgafsteker

op houtige Rosaceae

parasiet

Het wijfje zet telkens één af in een wond die ze gemaakt heeft in de top van een jonge scheut; vervolgens wordt de scheut een paar cm onder het ei afgeknipt. De larve ontwikkelt zich in het merg van de afgevallen scheut, en verlaat deze wanneer ze volgroeid is om zich in de grond te verpoppen.

waardplanten

Rosaceae, oligofaag

Crataegus; Cydonia; Malus; Mespilus; Prunus; Pyrus; Rosal Sorbus.

fenologie

Univoltien; overwintering als imago.

verspreiding binnen Europa

(PESI, 2019).

synoniemen

Rhynchites coeruleus; Teretriorhynchites caeruleus.

literatuur

Dieckmann (1974a), Legalov (2009a), Rheinheimer & Hassler (2010a), Roskam (2009a).

mod 3.iv.2019