Plantparasieten van Europa

bladmineerders, gallen en schimmels

Ceutorhynchus pallidactylus

Ceutorhynchus pallidactylus (Marsham, 1802)

stengelboorsnuitkever

mijn

De larve is essentieel een boorder in bladsteel of stengel, en vreet zich vanaf de plaats van de ovipositie een weg naar beneden. Ovipositie op de hoofdnerf (en zelfs bladschijf) komt ook voor, en soms vreet de larve korte, frass-vrije gangen vanuit de hoofdnerf in de bladschijf.

waardplanten

Brassicaceae, Resedaceae, Tropaeolaceae; nauw polyfaag

Alliaria petiolata; Brassica napus, oleracea, rapa; Cakile maritima; Conringia; Crambe; Erophila verna; Eruca; Hesperis matronalis; Hirschfeldia incana; Isatis tinctoria; Lunaria annua; Moricandia; Peltaria; Raphanus raphanistrum, sativus; Reseda; Rorippa palustris, sylvestris; Sinapis arvensis; Tropaeolum majus.

fenologie

Larven in april-juni (Scherf, 1964a).

BENELUX

BE waargenomen (Curculionidae.be, 2010a).

NE waargenomen (Fauna Europaea, 2007; Heijerman, 1993a).

LUX waargenomen (Fauna Europaea, 2007).

verspreiding binnen Europa

Geheel Europa, ook de Britse Eilanden (Fauna Europaea, 2007).

larve

Scherf (1964a).

synoniemen

Ceutorhynchus quadridens (Panzer, 1795).

literatuur

Avgın & Colonnelli (2011a), Buhr (1964b, 1965a), Colonnelli (1990a, 2016a), Colonnelli, Osella & Cornacchia (2011a), Compte (1981a), Delbol (2008a, 2013a), Dieckmann (1972a), Gültekin (2014a), Heijerman (1993a), Hoebeke & Griffin (2015a), Houard (1908a), Maček (1999a), Mifsud & Colonnelli (2010a), Rheinheimer & Hassler (2010a), Robbins (1991a), Scherf (1964a), Vorst (2010a), Yunakov, Nazarenko, Filimonov & Volovnik (2018a).

Laatste bewerking 1.i.2022