Anoplus roboris Suffrian, 1840

mijn

Het ei wordt afgezet in de onderzijde van de hoofdnerf of een dikke zijnerf; later is op deze plaats een groot litteken te zien. De larve begint dan een een gang richting bladrand. Het verdere deel van de mijn blijft in de bladtop, in de vorm van een gang, waarin de frass in een smalle zwarte middenband ligt. Later scheurt het blad vaak op deze plaats in.

De larve verlaat de mijn door het maken van een heel kleine uitsnede, waardoor hij zich op de grond laat vallen voor de verpopping (Hering, 1957a).

waardplanten

Betulaceae, monofaag

Alnus glutinosa, incana.

BENELUX

BE waargenomen (Curculionidae.be, 2010).

NE waargenomen (Heijerman, 1993a).

LUX niet waargenomen (Fauna Europaea, 2007).

verspreiding binnen Europa

Van Engeland tot Italië en van Polen tot Frankrijk; ook Roemenië (Fauna Europaea, 2007)

literatuur

Ahr (1966a), Beiger (1979a), Buhr (1933a), Buszko (1992b), Heijerman (1993a), Hering (1930a, 1957a), Huber (1969a), Rheinheimer & Hassler (2010a), Robbins (1991a), Scherf (1964a), Skala (1936a), Sønderup (1949a), Vorst (2010a).

mod 19.viii.2018