Plantparasieten van Europa

bladmineerders, gallen en schimmels

Tachyerges stigma

Tachyerges stigma (Germar, 1821)

mijn

Het ei wordt afgezet in de basis van de hoofdnerf, zonder dat daaruit een litteken ontstaat. De larve boort aanvankelijk in de hoofdnerf, verlaat deze via een brede gang, die zich tot een blaasmijn verbreedt. De pootloze larve vormt tenslotte een bolvormige cocon in de mijn. Omdat de mijnvorming plaatsvindt in het al geheel uitgegroeide blad zijn gemineerde bladeren niet vervormd.

waardplanten

Betulaceae, Salicaceae; nauw polyfaag

Alnus glutinosa; Betula nana, pendula; Corylus avellana; Salix caprea, cinerea, repens, viminalis.

Roques (1998a) noemt daarnaast nog Populus alba, nigra, maar dit wordt niet ondersteund door Hering (1957a), Scherf (1964a), Robbins (1991a) of Morris (1993a).

fenologie

Larven in in mei en augustus (Hering, 1957a), juni-augustus (Scherf, 1964a); imagines komen in augustus uit (Rheinheimer & Hassler, 2010a).

BENELUX

BE waargenomen (Delbol, 2009; Curculionidae.be, 2010).

N waargenomen (Heijerman, 1993a).

LUX niet waargenomen (Fauna Europaea, 2007).

verspreiding binnen Europa

Van Engeland, Duitsland, Polen en Rusland tot Frankrijk, Italië en Bulgarije (Fauna Europaea, 2007).

synoniemen

Rhynchaenus stigma.

opmerkingen

Pas kortgeleden is gebleken dat de toenmalige T. stigma een tweede soort omvatte, T. pseudostigma (Tempère, 1982). Informatie van voor die tijd kan niet zonder meer gebruikt worden.

literatuur

Bachmaier (1965a), Caillol (1954a), Heijerman (1993a), Hering (1930a, 1957a), le Monnier (2003a), Morris (1993a), Rheinheimer & Hassler (2010a), Robbins (1991a), Roques (1998a), Scherf (1964a), Viramo (1962a), Vorst (2010a), Wanat (1987a), Yunakov, Nazarenko, Filimonov & Volovnik (2018a).

Laatste bewerking 25.ix.2020