Larinus carlinae (Olivier, 1807)

wollige distelsnuitkever

op distels

gal

een of enkele smnuitkeverlarven leven in de bloembodem van callusweefsel dat als gevolg van hun vreterij wordt gevormd; volgens Redfern & Shirley verhardt de bloembodem ook. Verpopping in de bloembodem.

De aantasting onderscheidt zich uitwendig van die door Urophora solstitialis of terebrans doordat de eieren buitenop de plant, aan de basis van de omwindselbladen, worden afgezet, en met een bruine druppel verdrogend secreet worden bedekt.

waardplanten

Asteraceae, nauw oligofaag

Carduus acanthoides, pycnocephalus; Carlina vulgaris; Centaurea jacea, scabiosa, solstitialis; Cirsium arvense, dissectum, oleraceum, palustre, rivulare, vulgare; Serratula.

synoniemen

Larinus planus: Germar 1824 not Fabricius 1792.

opmerkingen

Zie ook Rhinocyllus conicus.

literatuur

Balalaikins & Bukejs (2011a), Buhr (1964a), Dauphin & Aniotsbehere (1997a), Delbol (2012b), Dieckmann (1983a), Douglas, Bouchard, Anderson ao (2013a), G├╝ltekin (2004a), Hoebeke & Spichiger (2016a), Houard (1909a), Morris (1982a), Redfern & Shirley (2011a), Rheinheimer & Hassler (2010a), Roskam (2009a), Tomasi (2014a).

mod 7.vi.2019