Rhinocyllus conicus (Frölich, 1792)

op Carduus, Centaurea, Cirsium

gal

een of enkele smnuitkeverlarven leven in de bloembodem van callusweefsel dat als gevolg van hun vreterij wordt gevormd; volgens Redfern & Shirley verhardt de bloembodem ook. Verpopping in de bloembodem.

De aantasting onderscheidt zich uitwendig van die door Urophora solstitialis of terebrans doordat de eieren buitenop de plant, aan de basis van de omwindselbladen, worden afgezet, en met een bruine druppel verdrogend secreet worden bedekt.

waardplanten

Asteraceae, nauw oligofaag

Carduus crispus, nutans; Centaurea jacea; Cirsium arvense.

opmerkingen

Een naar het zich laat aanzien vrijwel identieke levenswijze heeft Larinus carlinae, mogelijk ook nog andere Larinus-soorten. Uitkweken is noodzakelijk voor een zekere determinatie.

literatuur

Balalaikins & Bukejs (2011a), Behne (1987a), Colonnelli, Osella & Cornacchia (2011a), Dauphin & Aniotsbehere (1997a), Dieckmann (1962a, 1983a), Kofler (2014a), Mifsud & Colonnelli (2010a), Morris (1982a), Redfern & Shirley (2011a), Rheinheimer & Hassler (2010a).

mod 25.v.2019