Brachycera

Vliegen

Bij volwassen dieren telt de antenne ten hoogste acht leden. De larven, “maden”, hebben geen uitwendig herkenbare kop.

larven

In feite zijn de larven niet koploos, maar is de kop sterk gereduceerd, en teruggetrokken in het larvelichaam. Het voornaamste van de kop dat buiten het larvelichaam uitsteekt zijn de kleine kaken (mandibels, ook vaak mondhaken genoemd). De kaken worden van binnen gesteund en gestuurd door een stel gechitiniseerde spangen, binnen de kop: het kopskelet. In tegenstelling tot de meeste andere groepen zijn Diptera-larven nooit afgeplat als aanpassing aan de nauwe ruimte van de mijn.

Er zijn altijd twee paren spiracula (ademhalingsopeningen), één
paar tamelijk ver naar voren (bovenop het eerste borstsegment) een tweede helemaal achteraan. In het eenvoudigste geval bestaat een spiraculum uit een hoge knobbel, met (bij volgroeide larven) drie kleine ovale openingen waardoor lucht in het trachee-stelsel kan toetreden. De openingen staan op een papil. Bij sommige soorten zijn de spiracula sterk vergroot en ingewikkeld van bouw, en kan het aantal papillen sterk oplopen, tot veertig of meer.

Het lichaam is bekleed met banden grotere of kleinere, achterwaarts gerichte stekeltjes, elk op het midden van een segment. Hiermee kunnen deze pootloze dieren zich in een mijn of gang schrap zetten tijdens het eten en kruipen.

13914_lv

agromyzide-larve

stadia

Vliegenlarven hebben voor de verpopping drie stadia. De eerste twee
kunnen flink afwijken van het laatste larvestadium; dat kan soms problemen
geven bij de determinatie. Hieronder van dezelfde soort de “kop” en de mandibel van een larve in het eerste en derde stadium.

""14362_kop

Pegomya setaria “kop” in stadium 1 en 3

14362_1_mand14362_mand

>Pegomya setaria mandibel in stadium 1 en stadium 3

Vaak lukt het om de stadia te onderscheiden aan het aantal papillen van het achterspiraculum. Het basale aantal daarvan is 1 in het eerste, 2 in het tweede, en 3 in het derde stadium (zolang dat aantal althans niet secundair is vergroot).

14362_1_psp

Pegomya setaria stadium 1

14362_2_psp

stadium 2 (deze larve staat op het punt van vervellen – het derde stadium spiraculum schemert al door de oude larvehuid heen)

14362_psp

stadium 3

vraatlijnen

De mandibels zijn in principe niet meer dan twee kleine, min of meer sikkelvormige haakjes die zich alleen recht naar beneden en voren kunnen bewegen. Om die reden liggen Diptera-larven tijdens het eten gewoonlijk op hun zij in de mijn.

Een ander effect is het ontstaan van primaire en secundaire vraatlijnen. In een blaasmijn ligt de de larve als een wijzer op een klokwijzerplaat, kop naar buiten, en maait met een zwaaibeweging het bladweefsel weg. Door deze herhaalde beweging ontstaat een patroon van parallele lijntjes, de ‘primaire vraatlijnen’. Wanneer de larve een andere plaats inneemt zullen deze primaire vraatlijnen elkaar onder een hoek gaan snijden, waardoor een nieuw lijnenpatroon van secundaire vraatlijnen ontstaat zoals bij Nemorimyza posticata
of Acidia cognata. Bij een zwakke vergroting zijn alleen de secundaire vraatlijnen zichtbaar.

17433_5

Acidia cognata op klein hoefblad: primaire en secundaire vraatlijnen

puparium

Bij de Brachycera heeft de vorming van de pop plaats binnen de hard geworden huid van het laatste larvestadium. Daarom spreekt men hier niet van een pop, maar van een puparium.
Het puparium of “tonnetje” lijkt het meest op een gedrongen worstje, waar alleen de spiracula uitsteken.

14078_pup

Phytomyza artemisivora op bijvoet

literatuur

Oosterbroek (2008a), Richards & Davies (197aa).

26/11/2014

mod 28.vi.2017