Agromyza abiens Zetterstedt, 1848

gewone ruwbladminnaar

Agromyza abiens mines

Cynoglossum officinale, Castricum aan Zee

9569

Lithospermum officinale, Overveen

1627

Symphytum officinale, Neerijnen

13982

Omphalodes verna, Amsterdam: frass

15723

Cynoglossum, Amsterdamse Waterleidingduinen: deel van een begingang

11487_bz

Cynoglossum officinale, Cadzand-Bad: jeugd-mijnen

11487

in doorzicht

mijn

De mijn begint met een smal, parallel-wandig gangetje van 1 – 8 cm met een mooi dubbel frasspoor, na de eerste vervelling voortgezet in, en meestal overlopen door, een grote, primaire, bruine blaasmijn. In de begingang ligt de frass in korte draadstukjes, in de blaas in hoekige brokjes en, vaak vertakte draadstukjes (dat laatste hangt ermee samen dat de frass opvallend kleverig is). Primaire en secundaire vraatlijnen duidelijk. De uiteindelijke mijn is zeer groot, en bevat meestal verscheidene larven, als gevolg van fuseren van een aantal mijnen. Die verlaten voor de verpopping de mijn via een boogvormige snede in de epidermis, meestal aan de bovenzijde, minder vaak aan de onderzijde.

waardplanten

Boraginaceae, oligofaag

Aegonychon purpurocaeruleum; Amsinckia (?); Anchusa azurea, capensis, officinalis; Asperugo procumbens; Borago officinalis; Brunnera macrophylla; Buglossoides arvensis; Cerinthe glabra, minor; Echium candicans, italicum, plantagineum, vulgare; Cynoglossum cheirifolium, creticum, officinale; Lappula squarrosa; Lindelofia longiflora; Lithospermum officinale; Lycopsis arvensis; Myosotis alpestris, arvensis, laxa subsp. caespitosa, ramossisima, scorpioides, sylvatica; Nonea pulla; Omphalodes verna; Onosma visianii; Pentaglottis sempervirens; Podonosma; Pulmonaria maculata, mollis, montana, obscura, officinalis, rubra; Solenanthus apenninus; Symphytum officinale, tuberosum.

Wat Buhr (1932a) bedoelde met “Rinderia canescens” is niet duidelijk.

fenologie

Larven in mei-juli en augustus-november (Hering, 1957a).

BENELUX

BE waargenomen (Ellis).
NE Reeds de Meijere (1924a) vond de soort talrijk in de duinen (op hondstong).
LUX waargenomen (Ellis).

verspreiding binnen Europa

Van Scandinavië tot het Iberisch Schiereiland en Italië, en van Ierland tot Roemenië (Fauna Europaea, 2007); ook Turkije (Cikman & Civelek, 2005a).

larve

puparium

synoniemen

Agromyza echii Kaltenbach, 1860; A. rufipes: auct. nec Meigen, 1830. De foutieve interpretatie van de naam rufipes heeft geduurd tot een revisie door Nowakowski (1964a).

opmerkingen

Meestal worden op een groot blad een aantal mijnen gevormd, die tot een geheel samenvloeien, en bijna een heel grondblad van smeerwortel kunnen beslaan. Zulke volgroeide mijnen zijn moeilijk te onderscheiden van die van Agromyza ferruginosa. Van die soort worden de eieren echter in een groepje gelegd, van waaruit de larven schouder aan schouder één brede gang maken (die later overgaat in een grote blaas). Sporen van een één-larfs begingang zijn daarom een zekere aanwijzing voor A. abiens.
Op kleinere bladeren zijn de mijnen niet te onderscheiden van die van Agromyza lithospermi. Zolang de larven van die soort niet bekend zijn, én zolang het waardplant-spectrum van die soort niet terdege is onderzocht blijft de determinatie van abiens-achtige mijnen in kleine bladeren slechts benaderen.

literatuur

Ahr (1966a), Amsel & Hering (1933a), Beiger (1955a, 1960a, 1965a, 1970a, 1979a), Beuk (2002a), Bland, 1977a, Buhr (1932a, 1941b, 1964a), Černý (2004a, 2007a, 2011a), Černý, Andrade, Gonçalves & von Tschirnhaus (2018a), Černý & Merz (2006a, 2007a), Černý & Vála (1996a, 1999a, 2006a), Černý, Vála Barták (2001a), Cikman & Civelek (2005a), Ci̇velek, Çikman & Dursun (2008a), Civelek, Tonguc, Ozgul & Dursun (2007a), Dempewolf (2001a), Drăghia (1967a, 1968a, 1971a, 1972a), van Frankenhuyzen, Houtman & Kabos (1982a), Gil Ortiz (2009a), Hartig (1939a), Hering (1924a, b, 1925a, 1932b,g, 1955b, 1957a, 1967a), Huber (1969a), Kabos (1971a), Kvičala (1938a), Maček (1999a), de Meijere (1895a, 1925a), Michalska (1970a, 1972a, 1976a), Michna (1975a), Niblett (1956a), Nowakowski (1954a, 1964a), Pakalniškis (1983a), Papp & Černý (2015a), Pârvu (2005a), Popescu-Gorj & Drăghia (1968a), Robbins (1991a), Seidel (1957a), Skala (1941a, 1951a), Stammer (2016a), Skala & Zavřel (1945a), Sønderup (1949a), Spencer (1957f, 1967a, 1972a,b, 1973c), Starke (1942a), Starý (1930a), Stolnicu (2008a), Süss (1982a), von Tschirnhaus (1999a), Ureche (2010a), Utech (1962a), Zoerner (1969a).

mod 19.viii.2019