Plantparasieten van Europa

bladmineerders, gallen en schimmels

Agromyza anthracina larva

13871_lv

Urtica dioica, Duin en Kruidberg

13871_aspl13871_pspl

voor- en achterspiraculum, lateraal

13871_aspd13871_pspd

voor- en achterspiraculum, dorsaal

13871_mand13871_spin

mandibels, en bestekeling van de ‘heup

16302_1116302_21

Urtica dioica, Nieuwendam; kopskelet en mondveld

16302_2216302_33

abdomenuiteinde ventraal en (zwakkere vergroting) dorsaal

Larve met drietandige mandibels die (bijna) niet alterneren. Achterspiracula elkaar rakend, op een gemeenschappelijke sokkel. De 3 papillen met brede, afgeplatte en waaiervormig gespleten “haren” (alleen bij sterke vergrotingen zichtbaar).

De Meijere (1924a) en Nowakowski (1964a) schrijven dat de mandibels tweetandig zijn en alterneren. SEM-©’s van Dempewolf (2001a) tonen echter duidelijk een stel drietandige, niet-alternerende mandibels. Dempewolf vond eveneens dat de merkwaardige haren op de achterste spiracula niet, zoals Nowakowski aangeeft, beperkt zijn tot A. pseudoreptans, maar ook voorkomen bij de twee andere Agromyza’s op deze plant optreden. (Dat was trouwens al door de Meijere afgebeeld voor anthracina.)

De “heupen” zijn veel minder sterk ontwikkeld dan bij A. reptans en pseudoreptans.

25.v.2009

Laatste bewerking 10.viii.2017