Agromyza apfelbecki Strobl, 1902

mijn

Gangmijn op en in de hoofdnerf en dikke zijnerven. Vanuit de gang gaan veel korte, brede excursies de bladschijf in. De meeste frass als losse korrels in de hoofdgang. Verpopping buiten de mijn (Hering, 1957a; Ricchello, 1928a).

waardplanten

Asteraceae, nauw oligofaag

Carduus acanthoides; Cirsium creticum; Cynara baetica, cardunculus, scolymus.

Plaag in de artisjokkencultuur (Dempewolf, 2004a; Spencer, 1976b).

fenologie

Vanaf het voorjaar, in 3 generaties (Hering, 1957a).

verspreiding binnen Europa

Zuid-Europa, ook Frankrijk en Duitsland (Fauna Europaea, 2007; von Tschirnhaus, 1999a).

larve

puparium

Bruin (Ricchello, 1928a), rood (de Meijere, 1946a).

synoniemen

Agromyza andalusiaca Strobl, 1906.

literatuur

Amsel & Hering (1931a), Benavent, Martínez, Moreno & Jiménez (2004a), Černý (2004a), Ci̇velek, Çikman & Dursun (2008a), Dempewolf (2004a), Drăghia (1968a, 1972a), Hering (1957a, 1967a), Huber (1969a), de Meijere (1946a), Gil Ortiz (2009a), Papp & Černý (2015a), Ricchello (1928), (Spencer, 1966b, 1973b,c), Süss (1982a), von Tschirnhaus (1999a).

27/04/2017

mod 25.vii.2017