Agromyza felleri Hering, 1941

mijn

Primaire blaasmijn, zonder begingang. Ovipositie in de top van een blaadje (daar vaak een rode verkleuring). De blaas is plaatselijk voldiep, en ziet er in doorzicht daardoor vlekkerig uit. Frass in korrels, die in groepjes liggen. Verpopping buiten de mijn.

waardplanten

Fabaceae, monofaag

Vicia sepium.

fenologie

Larven in juli (Hering, 1957a).

BENELUX

BE niet waargenomen (Fauna Europaea, 2007).

NE niet waargenomen (Fauna Europaea, 2007).

LUX niet waargenomen (Fauna Europaea, 2007).

verspreiding binnen Europa

Van Scandinavië tot het Iberisch Schiereiland en Italië, en van Engeland tot Polen en Litouwen (Fauna Europaea, 2007).

synoniemen

Agromyza rubiginosa Griffiths, 1955 is mogelijk een synoniem.

opmerkingen

Ik had materiaal, afkomstig uit België (La Calamine) aanvankelijk gedetermineerd en afgebeeld als A. felleri. Bestudering van de larve maakt het waarschijnlijker dat dit materiaal (en ook kortelings in Nederland gevonden mijnen) gedetermineerd moeten worden als A. viciae.

literatuur

Andersen & Jonassen (1994a), Černý (2007a, 2011a), Černý & Vála (1999a), Černý, Vála & Barták (2001a), Ci̇velek, Çikman & Dursun (2008a), Hering (1941a, 1957a), Pakalnsikis (1988), Papp & Černý (2015a), Spencer (1971a, 1972a, 1976a), von Tschirnhaus (1999a).

mod 6.ii.2019