Agromyza flavipennis Hendel, 1920

Agromyza flavipennis: mine on Lamium album

Lamium album, België, prov. Luxemburg, Étalle © Daan Dekeukeleire & Jonas Mortelmans

mijn

Bovenzijdige, maar nogal diepe, en daardoor zeer transparante, blaasmijn, altijd langs de bladrand, meestal in het distale deel van het blad. De mijn begint met een kort en breed gangetje, dat later meestal wordt overlopen. Vier tot acht larven kunnen in een blad optreden. De larve verlaat voor de verpopping de mijn via een boogvormige snede in de onderepidermis.

waardplanten

Lamiaceae, monofaag

Lamium album, galeobdolon, maculatum, purpureum.

Door Robbins (1991a) in Engeland éénmaal gevonden op Glechoma hederacea.

fenologie

Larven in mei-begin juni, in één generatie (van Frankenhuyzen & Freriks, 1969b).

BENELUX

BE waargenomen (Mortelmans ea, 2014a).

NE waargenomen (de Meijere (1924a).

LUX niet waargenomen (Fauna Europaea, 2007).

verspreiding binnen Europa

Van Scandinavië tot Frankrijk, en van Engeland tot Polen (Fauna Europaea, 2007).

larve

de Meijere (1925a, 1943a).

synoniemen

Phytomyza flavipennis: van Frankenhuyzen & Freriks (1969b).

literatuur

Beiger (1960a, 1970a, 1979a), Beuk (2002a), Černý (2001a, 2011a), Černý & Merz (2006a), Černý & Vála (1996a, 1999a), Černý, Vála & Barták (2001a), Chałańska, Łabanowski & Soika (2006a), Ci̇velek, Çikman & Dursun (2008a), van Frankenhuyzen & Freriks (1969b), van Frankenhuyzen Houtman & Kabos (1982a), Hering (1955b, 1957a), Huber (1969a), Kabos (1971a), Maček (1999a), Martinez (1984a), de Meijere (1924a, 1939a), Mortelmans, Boeraeve, Tamsyn, Proesmans & Dekeukeleire (2014a), Nowakowski (1954a), Pakalniškis (1993a), Papp & Černý (2015a), Robbins (1991a), Spencer (1954a, 1972a, 1974a, 1976a), von Tschirnhaus (1999a).

mod 31.xii.2018