Agromyza phragmitidis Hendel, 1922

7190bz

Phragmites australis, Ommen

13021

Phragmites australis, kanaal Almelo-Nordhorn

mijn

Een aantal eieren wordt afgezet in een rijtje dwars op de bladrand. De larven die eruit komen vreten elk een eigen gangetje in de richting van de bladtop. De gangetjes worden snel breder en versmelten tot één gemeenschappelijke bovenzijdige mijn. Frass poederig (de larven in de mijn zijn een beetje groen-stoffig). Verpopping meestal buiten de mijn.

waardplanten

Poaceae, monofaag

Phragmites australis.

fenologie

Larven in juni en september (Hering, 1957a).

BENELUX

BE waargenomen (Scheirs & De Bruyn, 1992a).

NE waargenomen (de Meijere, 1924a).

LUX niet waargenomen (Fauna Europaea, 2007).

verspreiding binnen Europa

Van Scandinavië tot Frankrijk, en van Ierland tot de Baltische Staten en Hongarijë (Fauna Europaea, 2007); Corsica (Buhr, 1941b).

larve

puparium

opmerkingen

De gewoonste mineerder op riet.

literatuur

Beiger (1955a), Beuk (2002a), Bland (1994c), Buhr (1932a, 1941b), Černý & Merz (2006a), Černý & Vála (1996a, 1999a), Černý, Vála & Barták (2001a), van Frankenhuyzen Houtman & Kabos (1982a), Griffiths (1962a, 1963a), Hering (1955b), Huber (1969a), Kabos (1971a), de Meijere (1924a, 1925a, 1939a), Nartshuk (2011a), Nowakowski (1954a), Pakalniškis (1982a), Papp & Černý (2015a), Robbins (1991a), Sasakawa (1961a), Scheirs, De Bruyn & Verdyck (1993a), Scheirs, De Bruyn & von Tschirnhaus (1995a, 1996a), Skala (1951a), Skala & Zavřel (1945a), Spencer (1972a, 1976a), Starke (1942a), Starý (1930a), von Tschirnhaus (1999a, 2000a), Zoerner (1970a).

mod 22.iii.2018