Agromyza prespana Spencer, 1957

Diptera, Agromyzidae

mijn

brede blaas die zich uitbreidt vanuit de bladtop.

waardplanten

Poaceae, monofaag

Triticum aestivum.

BENELUX

Niet bekend uit de Benelux-landen (Fauna Europaea, 2007).

verspreiding binnen Europa

Van Zweden tot Frankrijk en Macedonië, en van Engeland tot Polen (Fauna Europaea, 2007). Beschreven uit Macedonië (Spencer, 1957b).

larve

De larve wordt beschreven door Griffiths (1963a). De achterspiracula liggen ver uiteen; mandibels met 2 tanden. De larve heeft onder de mandibels geen vlek met stekelvormige papillen, wat hem plaatst in de A. nigripes-groep van Griffiths, waartoe onder meer A. albipennis en phragmitidis behoren.

synoniemen

Griffiths (1963a) veronderstelt dat “Agromyza b” bij Hering (1953a) betrekking heeft op prespana, maar Darvas & Papp (1985a) menen dat het intermittens betreft.

literatuur

Beiger (1979a), Černý (2001a, 2011a), Černý & Merz (2006a, 2007a), Černý & Vála (1999a), Černý, Vála & Barták (2001a), Ci̇velek, Çikman & Dursun (2008a), Darvas & Papp (1985a), Deeming (1995a), Griffiths (1963a), Papp & Černý (2015a), Spencer (1957b, 1976a), von Tschirnhaus (1999a).

28/04/2017

mod 17.vii.2017