Plantparasieten van Europa

bladmineerders, gallen en schimmels

Agromyza pseudoreptans larva

Agromyza pseudoreptans

16337

Urtica dioica, Kaaistoep

1706916337

Urtica dioica, Grebbeberg, Kaaistoep: “kop” en kont

16337_0917069

Urtica dioica, Kaaistoep, Grebbeberg: mandibel en detail van de ongewoon zware bestekeling

1706917069

Urtica dioica, Grebbeberg: mondveld, en detail van de “bovenlip” van opzij; opmerkelijk is een mediaan bundeltje fijne papillen

1633716337

Urtica dioica, Kaaistoep: voorspiracula en anaalveld

1633716337

Urtica dioica, Kaaistoep: achterspiracula lateraal en dorsaal; de waaiervormige haren zijn vaag te zien


16337_13

Urtica dioica, Kaaistoep: achtereind van boven, om de “brede heupen” te tonen

De beschrijving door de Meijere (1925a) van reptans heeft waarschijnlijk betrekking op pseudoreptans.

Mandibels even groot (dus niet alternerend), elk met twee tanden. Achterspiracula met brede, afgeplatte en waaiervormig gespleten ‘haren’. De naar voren gerichte arm van het kopskelet is eenkleurig bruinzwart (Dempewolf, 2001a).

Dempewolf (2001a) vond dat de merkwaardige haren op de achterste spiracula niet, zoals Nowakowski (1964a) aangeeft, beperkt zijn tot A. pseudoreptans, maar ook voorkomen bij de twee andere Agromyza’s op brandnetel. (Mogelijk gaan deze haren makkelijk verloren bij het maken van een microscopische preparaat.)

18.xi.2007

Laatste bewerking 25.vii.2017