Agromyza rufipes Meigen, 1830

mijn

De mijn begint als een stervormige interparenchymale blaas nabij de hoofdnerf. Daarna volgt een brede, gangachtige boog rondom het centrale deel van de bladtop; het omcirkelde deel van het blad sterft af en blijft als een zwarte vlek in het centrum van de mijn zitten. Bij verse mijnen zijn primaire en secundaire vraatlijnen zichtbaar. Frass in grove stukjes. Vaak vloeien verscheidene mijnen samen. De larve verlaat de mijn voor de verpopping via een boogvormige snede in de bovenepidermis.

waardplanten

Asteraceae, monofaag

Artemisia vulgaris.

fenologie

Larven in juli en september (Hering, 1954a).

BENELUX

BE waargenomen (De Bruyn & von Tschirnhaus, 1991a).

NE vermeld door de Meijere (1939a), Beuk (2002a) en de Fauna Europaea (2007), maar deze vermeldingen hebben zeker betrekking op A. abiens, zoals blijkt uit het feit dat de Meijere in 1943 nog “rufipes” meldt van Cynoglossum. Zelf ken ik geen materiaal van deze soort uit Nederland.

LUX niet waargenomen (Fauna Europaea, 2007).

verspreiding binnen Europa

Van Denemarken en de Baltische Staten tot het Iberisch Schiereiland, en van Engeland tot Hongarije; ook Sardinië (Fauna Europaea, 2007).

larve

synoniemen

Agromyza buhriella Hering, 1954.

opmerkingen

Vermeldingen van Agromyza rufipes in de oudere literatuur hebben meestal betrekking op A. abiens, die op allerlei Boraginaceae voorkomt (Spencer, 1963b).

literatuur

Beri (1971c), Beuk (2002a), De Bruyn & von Tschirnhaus (1991a), Černý, Barták & Vaněk (2009a), Černý & Vála (1996a, 1999a), Černý, Vála & Barták (2001a), Hering (1954a, 1957a), Nowakowski (1964a), Pakalniškis (1993a), Papp & Černý (2015a), Robbins (1991a), Spencer (1953a, 1963b, 1976a), Stammer (2016a), Zlobin (1896b).

mod 1.i.2019