Plantparasieten van Europa

bladmineerders, gallen en schimmels

Agromyza trebinjensis

Agromyza trebinjensis

op Celtis

Agromyza trebinjensis on Celtis australis

Celtis australis, Frankrijk, dép. Ardèche, Aubenas, 18.ix.2021 © Gérard Collomb

mijn

Ovipositie meestal nabij de blaadtop. Ovipositielitteken meestal in de vorm van een een langgerekt, uitgescheurd gat. Zeer lange (tot10 cm), bovenzijdige gangmijn, die zich aan het eind sterk verbreedt. Bij verse mijnen primaire en secundaire vraatlijnen zichtbaar. Verpopping buiten de mijn, boogsnede in bovenepidermis. Vaak meer dan één mijn in een blad. Mijnen altijd in nog niet volledig ontwikkelde bladeren, die door de mijn sterk verfomfaaid worden.

waardplanten

Cannabaceae, monofaag

Celtis australis.

fenologie

Larven in mei-october (Hering, 1957a, Nowakowski, 1960a); overwintering als puparium.

BENELUX

Niet bekend uit de Benelux-landen (Fauna Europaea, 2008).

verspreiding binnen Europa

Van Spanje tot Thracië (Fauna Europaea, 2007).

larve

Beschreven door Nowakowski (1960a). Mandibels niet alternerend, met twee tanden. Voorspiraulum met 5, achterspirculum met 3 papillen.

De beschrijving vn de larve door Beri (1971a), op basis van materiaal afkomstig uit Rubus niveus, is niet serieus te nemen.

puparium

1.8 mm lang, roestbruin, glad en glanzend, met diepe insnijdingen tussen de segmenten (Nowakowski, 1960a).

synoniemen

Agromyza celtidis Nowakowski, 1960.

opmerkingen

Mijnen niet alleen in jonge bladeren, maar er bestaat ook een sterke voorkeur voor jonge bomen en wortelopslag (Nowakowski, 1960a). Talrijk in stadsbeplanting (Süss, 1992a).

literatuur

Beiger (1980a), Beri (1971c), [Buhr (1941b)], Ci̇velek, Çikman & Dursun (2008a), [Hartig (1939a)], [Hering (1957a)], [de Meijere, 1937a], Nowakowski (1960a), Papp & Černý (2015a), Spencer (1966a), Süss (1992a).

Laatste bewerking 21.ix.2021