Plantparasieten van Europa

bladmineerders, gallen en schimmels

Agromyza varicornis

Agromyza varicornis Strobl, 1900

mijn

De mijn begint als een dun onderzijdig gangetje. Meestal wordt het spoedig bovenzijdig, en ook erop volgende blazig deel van de mijn is bovenzijdig. In kleine delen van de blaas vreet de larve ook palissadeparenchym, zodat de mijn op doorzicht vlekkerig aandoet, maar minder sterk dan bij A. lathyri. In de begingang ligt de frass, zo die al zichtbaar is, in korte draadjes; in de blaas ligt zeer weinig frass. Verpopping buiten de mijn.

waardplanten

Fabacceae, monofaag

Lathyrus latifolius, sylvestris.

fenologie

Larven in juni (Hering, 1957a); volgens Robbins (1991a) in voorzomer en vroege herfst.

BENELUX

Niet bekend uit de Benelux-landen (Fauna Europaea, 2007).

verspreiding binnen Europa

Engeland, Polen, Litouwen, Spanje, Italië, Servië (Fauna Europaea, 2007).

larve

synoniemen

Agromyza watersi Spencer, 1957.

opmerkingen

In de vleugels van de stengel maakt varicornis ook wittige gangmijnen (Robbins, 1991a).

literatuur

Bland (2001a), Hering (1957a,b), Pakalniškis (1983a), Robbins (1991a), Spencer (1957e, 1959a, 1971a, 1972a).

13/04/2012

Laatste bewerking 25.vii.2017