Melanagromyza sativae Spencer, 1957

op Apiaceae

parasiet

De larve boort in het inwendige van de stengel; daar ook het puparium.

waardplanten

Apiaceae, oligofaag

Angelica archangelica; Anthriscus; Pastinaca sativa; Pimpinella peregrina, saxifraga; Seseli; Torilis japonica.

De associatie door Dempewolf met Dictamnus (Rutaceae) lijkt aanvechtbaar.

verspreiding binnen Europa

(PESI, 2018).

puparium

Achterspiracula op een lage sokkel, sterk gechitiniseerd, diepzwart, met hun eigen diameter uit elkaar, voorzien van een centrale gechitiniseerde stekel, omgeven door 14 kleine papillen.

Melanagromyza sativae: rear spiracula

achterspiracula (uit Spencer, 1957d)

synoniemen

Melanagromyza torilidis Spencer, 1957.

literatuur

Černý (2011a, 2013a), Cerny & Vála (1996a, 1999a, 2006a), Černý, Vála & Barták (2001a), Dempewolf (2001a), Griffiths (1963b), Pakalniškis (1996a), Papp & Černý (2015a), Spencer (1957d, 1972a), von Tschirnhaus (1999a).

mod 17.iii.2018