Plantparasieten van Europa

bladmineerders, gallen en schimmels

Ophiomyia

Ophiomyia

De meeste soorten van dit geslacht zijn mineerders van de stengelschors of stengelboorders, en spelen daarom in deze website geen rol (Spencer, 1964a). Een enkele soort, zoals O. maura, maakt een zeer lange, slingerende gang in het blad, en heeft daarmee het geslacht zijn naam gegeven (“ophis” = slang). De soorten die het vaakst optreden als bladmineerder hebben een kenmerkende levenswijze. Het ei wordt ergens op de bladonderzijde afgezet, en de larve maakt een gangmijn “op zoek” naar de hoofdnerf. (Niet zelden zijn er verschillende eieren op een blad, herkenbaar een de sterke callusgroei rondom het ei.) Als hij die eenmaal bereikt heeft, eventueel via een dikke zijnerf, wordt de centrale holte in de de hoofdnerf de voornaamste verblijfplaats. Overdag trekt de larve zich terug in de uiterste basis van deze nerf. Hier wordt bijna alle frass gedeponeerd. Het puparium wordt eveneens gevormd in de bladbasis, vlak onder de epidermis bovenop de hoofdnerf, in de nauwe ruimte tussen het schuin omhoogstaande blad en de stengel. ’s Nachts gaat de larve via de hoofdnerf in de richting van de bladtop, en vreet, vanuit de hoofdnerf gangen in de bladschijf. Soms worden daarbij flinke afstanden afgelegd. Om de larven en puparia te zien te krijgen is het dus noodzakelijk het gehele blad, niet slechts het gemineerde deel, te verzamelen. Na een verblijf van enige tijd in het donker (of koelkast) zit de larve dan boven in de mijn.De larven van dit geslacht zijn opvallend lang en slank.

Ophiomyia-mijnen vertonen vaak een verraderlijke gelijkenis met mijnen van de gewone, polyfage Liriomyza strigata. Belangrijke verschillen zijn dat de gangen van Ophiomya vrijwel geen frass bevatten, en dat bij Ophiomyia het puparium in de mijn wordt gevormd.

12588_tr

Met veel doorvallend licht is de larve vaag te onderscheiden in het basale deel van de hoofdnerf (in dit geval Ophiomyia beckeri bij Lapsana communis).

12588_lv2

Dezelfde larve, nu vrijgeprepareerd. Ook de “mesthoop” is nu duidelijk te zien.

12596_1

Onderzijdige begingang (Oph. cunctata op Sonchus oleraceus). Vaak zijn er verscheidene op een blad. Op de plek van de ovipositie is callusvorming opgetreden.

15400

Dit blad van Sonchus arvensis was ca. 40 cm lang. Op het tijdstip van verzamelen bevond de larve zich in de uiterste bladbasis, zo’m 30 cm verwijderd van het zichtbare deel van de mijn. (Amsterdam).

12596_lv

Larve (Oph. cunctata op Sonchus oleraceus).

-0032

voorspiraculum (boven) en achterspiraculum (onder) van, van links naar rechts, O. beckeri, cunctata, pinguis en pulicaria. Naar de Meijere (1943a, 1925a, 1925a, 1928a).

Laatste bewerking 28.vi.2019