Plantparasieten van Europa

bladmineerders, gallen en schimmels

Ophiomyia melandricaulis

Ophiomyia melandricaulis Hering, 1943

Diptera, Agromyzidae

mijn

De mijn begint meestal als een fijn, onderzijdig gangetje, dat lijkt te eindiden op een dikke nerf. In werkelijkheid zet de gang zich via de bladsteel naar de stengel voort, waar een zeer lange mijn wordt gevormd in de schors van de stengel. De frass ligt in ver uiteenliggende korrels. Het puparium wordt in de mijn gevormd, meestal boven een knoop; de voorspiracula doorboren de epidermis.

waardplanten

Caryophyllaceae, oligofaag

Cerastium fontanum subsp. vulgare, glomeratum; Holosteum umbellatum; Moehringia trinervia; Myosoton aquaticum; Silene alba, dioica, flos-cuculi; Stellaria media, nemorum.

Silene dioica is de belangrijkste waardplant.

fenologie

Larven in september (Buhr, 1964a; Hering, 1957a).

BENELUX

Niet bekend uit de Benelux-landen (Fauna Europaea, 2008).

verspreiding binnen Europa

Van Litouwen tot het Iberisch Schiereiland, en van Engeland tot Slowakijë (Fauna Europaea, 2008).

larve

De larve wordt kort beschreven door de Meijere (1943a).

puparium

Gelig; achterspiraculum gegaffeld met 10 papillen (Hering, 1943a).

synoniemen

Ophiomyia moehringiae Hering, 1962.

opmerkingen

In eerdere versies van deze website schreef ik dat de soort door de Meijere (1939a) uit Nederland gemeld was. Dat is onjuist (naams-verwarring met de stengelboorder O. melandryi de Meijere).

literatuur

Ahr (1966a), Buhr (1964a), Černý (2001a, 2007a), Černý, Barták & Roháček (2004a), Černý & Merz (2006a), Černý & Vála (1999a), Černý, Vála & Barták (2001a), Griffiths (1962a), Hering (1943a, 1944d, 1957a, 1962a), de Meijere (1943a, 1950a), Ostrauskas, Pakalniškis & Taluntytė (2003a), Pakalniškis (1990a, 1993a, 1994a), Papp & Černý (2015a), Robbins (1991a), Spencer (1956a, 1960a, 1964a, 1967a, 1971a, 1972a), von Tschirnhaus (1999a).

03/04/2017

Laatste bewerking 28.vi.2017