Plantparasieten van Europa

bladmineerders, gallen en schimmels

Amauromyza chamaebalani

Amauromyza chamaebalani (Hering, 1960)

14282_1

Lathyrus tuberosus, Maastricht, Pietersberg

14282_2

zelfde, vrij oude, verlaten, mijn in doorzicht

mijn

Ovipositie meestal aan de bladonderzijde, ergens midden op een blaadje. Vanaf het ei een uiterst kort onderzijdig gangetje, gevolgd door een nauwelijks langer bovenzijdig ganggedeelte. Dit gaat over in een grote, bovenzijdige, zeer ondiepe blaas, aanvankelijk groenig, later wittig. Bijna altijd heeft de blaas een groot aantal kleine voldiepe plekjes, die de mijn een perforaat aanzien geven. Frass in vrij kleine, groenige korrels. Verpopping buiten de mijn; boogsnede in de bovenepidermis, niet aan de rand, maar ergens middenin de blaas.

waardplanten

Fabaceae, nauw monofaag (?)

Lathyrus tuberosus.

Papp & Černý noemen zonder verdere details ook Pisum; dit verdient andere bevestiging.

fenologie

Larven in juni, juli (Hering, 1957a).

BENELUX

BE niet waargenomen (Fauna Europaea, 2008).

NE waargenomen (Ellis: Pietersberg, Poppelmondedal).

LUX niet waargenomen (Fauna Europaea, 2008).

verspreiding binnen Europa

Duitsland, Frankrijk, Hongarijë (Fauna Europaea, 2008); daarnaast Moldavië (de Meijere, 1937a), Slowakijë (Hering, 1960a), Nederland.

larve

puparium

Geelbruin.

synoniemen

Phytobia chamaebalani; Amauromyza soosi Zlobin, 1985.

literatuur

Guglya (2021a), Hering (1957a #2984 & 2985), 1960a), de Meijere (1937a:201, 1950a:21), Papp Černý (2016a), von Tschirnhaus (1999a), Zlobin (1985a).

Laatste bewerking 3.x.2021