Plantparasieten van Europa

bladmineerders, gallen en schimmels

Aulagromyza heringii

Aulagromyza heringii (Hendel, 1920)

9344

Fraxinus excelsior, Cadzand

9344_2

mijn in detail

16634

Fraxinus excelsior, de Lutte: vraatlijnen

Aulagromyza heringii: mine on Fraxinus excelsior

Fraxinus excelsior, Engeland, Yorkshire, Hesle © Barry Warrington

mijn

Groenige, later zwartige, kronkelende of onregelmatig stervormige, bovenzijdige gangmijn die zich aan het einde vrij sterk verbreedt en meestal een secundaire blaas vormt. In het eerste deel van de gang ligt de frass in twee onduidelijke rijen. Primaire en secundaire vraatlijnen aanwezig, maar kort en warrig. Verpopping in de mijn; de voorspiracula steken door de bovenepidermis naar buiten.

waardplanten

Oleaceae, monofaag

Fraxinus angustifolia, excelsior.

fenologie

Larven in september-november (Hering, 1957a), in Engeland alleen october (Griffiths, 1959a). In Nederland larven van 20 september tot 6 november, puparia vanaf 4 october.

BENELUX

BE In 2009 voor het eerst waargenomen door Jean-Yves Baugnée (Brabant wallon, Court-Saint-Etienne).

NE In de negentiger jaren voor het eerst in Nederland (ongeving Schiedam) gevonden door Ben van As.

LUX niet waargenomen (Fauna Europaea, 2007).

verspreiding binnen Europa

Van Scandinavië tot Engeland, Duitsland, Roemenië en Thracië (Fauna Europaea, 2007).

larve

puparium

synoniemen

Paraphytomyza, Phytagromyza heringii.

opmerkingen

Hering (1957a) schrijft dat de verpopping buiten de mijn plaats vindt. In Duitsland is verpopping buiten de mijn vaste regel (von Tschirnhaus, brief). Ook de Engelse auteurs Spencer (1972a) en (Robbins (1990a) schrijven dit. In het rijke Nederlandse materiaal echter bevinden de glimmende, grijsbruine puparia zich onveranderlijk in de mijn, waarbij de voorspiracula op Chromatomyia-manier door de epidermis naar buiten steken. Dát is in overeenstemming met Allen (1958a – een Britse auteur) en Skuhravá & Roques (2000a) die schrijven dat de verpopping plaatsvindt in de mijn (over de voorspiracula wordt niets gezegd); zie ook een afbeelding hierboven. Het is niet uitgesloten dat Nederlandse “heringii” in feite een nog onbeschreven soort is, die tamelijk recent ons land is binnengekomen. Voor deze veronderstelling pleit ook het feit dat de Meijere de soort niet uit Nederland kende, maar zijn larvebeschrijving (1938a) baseerde op materiaal uit Duitsland.

Het lijkt erop of de soort zich sinds zijn ontdekking in Nederland sterk aan het uitbreiden is: niet alleen neemt het aantal vindplaatsen snel toe, maar ook het aantal mijnen per boom. Als de mijnen niet zouden optreden in bladeren die op het punt staan van afvalllen zou er van een plaag gesproken kunnen worden.

Een ander probleem is hoe de soort overwintert en door de zomer komt. Spencer (1976a) schrijft dat puparia die begin november werden verzameld twee weken later vliegen leverden (die dus wel haast moeten overwinteren, want eieren afzetten is dan niet meer mogelijk). Skuhravá & Roques (2000a) daarentegen schrijven dat de volwassen vliegen pas in het voorjaar uitkomen. Imagines in het voorjaar (of al het voorbije najaar) en larven in het late najaar moet dan verklaard worden door een zomerrust van de vliegen en ovipositie in de herfst, of ovipisitie in het voorjaar, met een zomerrust van de eieren.

literatuur

Allen (1958a), Buhr (1932a), Černý & Vála (1999a). Ci̇velek, Çikman & Dursun (2008a), Dempewolf (2001a), Griffiths (1959a), Hendel (1920a), Hering (1957a), Kabos (1971a), Kollár & Hrubík (2009a), de Meijere (1938a), Michalska (1976a, 2003a), Papp & Černý (2016a), Robbins (1991a), Skala (1936a), Skala & Zavřel (1945a), Skuhravá & Roques (2000a), Sønderup (1949a), Spencer (1971a, 1976a), Starý (1930a), Stolnicu (2008a), von Tschirnhaus (1999a).

28/04/2017

Laatste bewerking 18.vii.2017