Calycomyza artemisiae (Kaltenbach, 1856)

vage bijvoetblaasmaker

Calycomyza artemisiae: mine on Artemisia vulgaris

Artemisia vulgaris, Nieuwendam

Calycomyza artemisiae: mine on Eupatorium cannabinum

Eupatorium cannabinum, Flevoland, Reve-Abbertbos © Hans Jonkman

mijn

Een kenmerkend bleek-wittige, bijna altijd bovenzijdige primaire blaasmijn; van de aanvankelijke begingang is bij de complete mijn niets meer te zien. De mijn is zeer ondoorzichtig: zonder de mijn te openen is niet te zien of er een larve in zit. Ook vraatlijnen zijn niet zichtbaar. In tegenstelling to andere blaasmijnen die hier kunnen optreden zijn Claycomyza mijnen volstrekt vlak. Verpopping buiten de mijn.

waardplanten

Asteraceae, oligofaag

Achillea; Artemisia absinthium, vulgaris; Eupatorium cannabinum, chinense.

Artemisia is de belangrijkste waardplant.

fenologie

Vanaf midden juni tot in de herfst zeer gewoon.

BENELUX

BE waargenomen (De Bruyn & von Tschirnhaus, 1991a).

NE waargenomen (de Meijere, 1924a, 1939a).

LUX waargenomen (Ellis, verscheidene vindplaatsen).

verspreiding binnen Europa

Van Scandinavië tot het Iberisch Schiereiland en Italië, en van Engeland tot de Baltische Staten en Hongarije (Fauna Europaea, 2007); ook Bulgarijë (Buhr (1941b).

larve

synoniemen

Dizygomyza, Phytobia artemisiae; Agromyza atripes Zetterstedt, 1860; Calycomyza marcida Spencer, 1969.

opmerkingen

Buhr (1964a) schrijft dat in Duitsland bij Eupatorium de mijnen vaak voor een belangrijk deel onderzijdig zijn. Ook in Nederland is dat het geval. Ook zijn de mijnen op Eupatorium groter, wat wel zal samenhangen dat de bladeren van deze plant dunner zijn dan die van Artemisia.

literatuur

Ahr (1966a), Andersen (2012a), Beiger (1955a, 1970a, 1979a), Beuk (2002a), De Bruyn & von Tschirnhaus (1991a), Buhr (1932a, 1942a, 1964a), Černý (2001a, 2007a, 2011a), Černý & Merz (2006a, 2007a), Černý & Vála (1999a), Černý, Vála & Barták (2001a), Drăghia (1968a), van Frankenhuyzen Houtman & Kabos (1982a), Griffiths (1962a), Hartig (1939a), Hering (1930a, 1957a), Huber (1969a), Kabos (1971a), Kvičala (1938a), Maček (1999a), Manning (1956a), McCulloch (2019a), de Meijere (1924a, 1925a, 1939a), Michalska (1970a, 1972a, 1976a, 2003a), Nowakowski (1954a), Ostrauskas, Pakalniškis & Taluntytė (2003a), Pakalniškis (1982b, 1990a), Papp & Černý (2018a), Robbins (1991a), Sasakawa (1961a, 1997b), Skala & Zavřel (1945a), Sønderup (1949a), Spencer (1953a, 1972a, 1976a), Starý (1930a), Süss (1982a), von Tschirnhaus (1999a), Ureche (2010a), Zoerner (1969a, 1970a).

mod 6.iv.2019