Calycomyza humeralis (von Roser, 1840)

vage zulteblaasmaker

Calycomyza humeralis: mine on Erigeron sumatrensis

Erigeron sumatrensis, Belgium, Luik, 15.x.2018 © Jean-Yves Baugnée.

Calycomyza humeralis: mine on Erigeron sumatrensis

zelfde mijn in doorzicht

Calycomyza humeralis: mine on Tripolium pannonicum subsp. tripolium

Tripolium pannonicum subsp. tripolium, België, prov. Antwerpen, Schor van Ouden Doel © Kris Peeter

Calycomyza humeralis: mine on Tripolium pannonicum subsp. tripolium

andere exemplaren

Calycomyza humeralis: mine on Tripolium pannonicum subsp. tripolium

Tripolium pannonicum subsp. tripolium, Cadzand

mijn

Grote wittige bovenzijdige blaasmijn, voorafgegaan door een korte begingang, die later vaak door de blaas wordt overlopen. Zolang de larve in de mijn is, bevat deze bijna geen frasskorrels. De paar aanwezige korrels zijn zwart en betrekkelijk grof (Hering, 1960a). Het puparium wordt in de mijn gevormd, en vlak voordat dit plaats vindt leegt de larve zijn darm, met het gevolg dat het puparium met verdroogde frass in de mijn verankerd is (von Tschirnhaus, 1981a).

waardplanten

Asteraceae, oligofaag

Bellidiastrum michelii; Bellis annua, perennis, sylvestris; Bellium bellidioides; Callistephus chinensis; Erigeron acris, canadensis, speciosus, sumatrensis; Haplopappus; Heterotheca; Hysterionica; Madia; Helianthus; Symphyotrichum salignum; Tithonia; Tripolium pannonicum subsp. tripolium (Aster tripolium); Zinnia.

Ook in tuinasters.

fenologie

Larven in juni en september-october (Hering, 1957a).

BENELUX

BE waargenomen (De Bruyn & von Tschirnhaus, 1991a).

NE waargenomen (de Meijere, 1924a, 1939a).

LUX niet waargenomen (Fauna Europaea, 2007).

verspreiding binnen Europa

Van Scandinavië tot het Iberisch Schiereiland, Italië en de Balkan, en van Engeland tot Roemenië (Fauna Europaea, 2007); ook Turkije (Civelek, Deeming & Önder, 2000a).

larve

Beschreven door de Meijere (1925a), Sasakawa (1961a) en Beri (1971f).

puparium

synoniemen

Dizygomyza bellidis (Kaltenbach, 1858); Agromyza atripes Brischke, 1880 [nec Zetterstedt, 1880].

literatuur

Beiger (1958a, 1979a), Benavent, Martínez, Moreno & Jiménez (2004a), Beri (1971a), Beuk (2002a), De Bruyn & von Tschirnhaus (1991a), Buhr (1932a, 1941b, 1964a), Černý (2004a, 2011a), Černý & Merz (2006a, 2007a), Černý & Vála (2006a), Černý, Vála & Barták (2001a), Ci̇velek, Çikman & Dursun (2008a), Civelek, Deeming & Önder (2000a), Drăghia (1968a), Eiseman & Lonsdale (2018a), van Frankenhuyzen Houtman & Kabos (1982a), Gil Ortiz (2009a), Hering (1928a, 1955b, 1957a, 1960a), Huber (1969a), Kabos (1971a), van Klink (2014a), Kvičala (1938a), Maček (1999a), Masetti, Lanzoni, Burgio & Süss (2004a), de Meijere 1924a, 1925a, 1939a), Papp & Černý (2018a), Parmenter (1949a), Popescu-Gorj & Drăghia (1966a), Robbins (1991a), Sasakawa (1961a), Skala (1036a), Skala & Zavřel (1945a), Sønderup (1949a), Spencer (1954a, 1957f, 1972a, 1976a), Starke (1942a), Starý (1930a), Süss (1992a), von Tschirnhaus (1981a. 1982a, 1999a), Utech (1962a).

mod 20.x.2018