Calycomyza solidaginis (Kaltenbach, 1869)

vage fijnstraalblaasmaker

mijn

Bovenzijdige primaire blaasmijn zonder duidelijke primaire of secundaire vraatlijnen. De mijn begint met een kort gangetje dat meestal wordt overlopen door de latere blaas. Kleur geelgroen tot wittig. Frass vrij weinig, fijnkorrelig, bruin (Hering, 1960a). De larve verpopt in de mijn, en produceert kort daarvoor een grote hoeveelheid frass waarmee het puparium in de mijn wordt vastgekit.

waardplanten

Asteraceae, nauw oligofaag

Erigeron acris; Solidago gigantea, virgaurea.

fenologie

Larven in juni en september-october (Hering, 1957a).

BENELUX

BE niet waargenomen (Fauna Europaea, 2007).

NE waargenomen (Ellis, sept. 2005, Amstelveen).

LUX niet waargenomen (Fauna Europaea, 2007).

verspreiding binnen Europa

Van de Baltische Staten tot Zwitserland, en van Duitsland tot Hongarijë (Fauna Europaea, 2007).

synoniemen

Dizygomyza, Phytobia solidaginis

literatuur

Beiger (1955a, 1965a, 1979a), Buhr (1941b, 1964a), Černý & Merz (2007a), Eiseman & Lonsdale (2018a), Hartig (1939a), Hering (1924a, 1925a, 1926b, 1957a, 1960a), Huber (1969a), Maček (1999a), Nowakowski (1954a), Pakalniškis (1998a), Papp & Černý (2018a), Rydén (1926a), Seidel (1957a), von Tschirnhaus (1999a).

mod 21.ix.2018