Plantparasieten van Europa

bladmineerders, gallen en schimmels

Cerodontha bimaculata

Cerodontha bimaculata (Meigen, 1830)

mijn

Lange, vrij smalle gang, bovenzijdig of interparenchymaal. De mijn verandert een of tweemaal van richting. Vaak eindigt de gang in de bladschede. Frass in één of twee grote klompen. Het puparium bevindt zich in het onderste deel van de mijn. De soort overwintert als puparium.

waardplanten

Juncaceae, monofaag

Luzula campestris, multiflora, pilosa, sylvatica.

fenologie

Larven in juli-october, zelden november (Nowakowski, 1973a).

BENELUX

BE waargenomen (De Bruyn & von Tschirnhaus, 1991a).

NE waargenomen (de Meijere, 1924a, 1939a).

LUX niet waargenomen (Fauna Europaea, 2007).

verspreiding binnen Europa

Van Scandinavië tot het Iberisch Schiereiland en Italië, en van Engeland tot de Baltische Staten en Roemenië (Fauna Europaea, 2007).

larve

Beschreven door de Meijere (1925a) en Nowakowski (1973a). Achterspiracula met drie sterk verlengde papillen, die als de tenen van een kip recht afstaan van hun basis.

puparium

Vóór de winter geelwit tot geelbruin, erna geel- tot roodbruin. Hering (1924b) en Nowakowski (1973a) geven afbeeldingen.

synoniemen

Dizygomyza, Phytobia bimaculata; Agromyza basilaris Meigen, 1838; Agromyza laterella Zetterstedt, 1838; Phyllomyza flavocincta Strobl, 1880.

opmerkingen

Vermeldingen in de literatuur van Luzula sylvatica berusten waarschijnlijk op verwarring met Cerodontha silvatica (Groschke), en meldingen van Juncus effusus hebben vermoedelijk betrekking op Cerodontha luctuosa (Meigen).

Lid van het subgenus Dizygomyza (Nowakowski, 1973a).

literatuur

Andersen (2012a), Andersen & Jonassen (1994a), Beiger (1958a, 1960a, 1965a), Beuk (2002a), Bland (1977a), Černý (2001a, 2007a, 2011a), Černý, Andrade, Gonçalves & von Tschirnhaus (2018a), Černý, Barták & Roháček (2004a), Černý, Barták & Vaněk (2009a), Černý & Merz (2005a, 2007a), Černý & Vála (1999a), Černý, Vála & Barták (2001a), Ci̇velek, Çikman & Dursun (2008a), De Bruyn & von Tschirnhaus (1991a), van Frankenhuyzen Houtman & Kabos (1982a), Griffiths (1962a), Hering (1921b, 1924b, 1925a,b, 1930b, 1955b), Kabos (1971a), de Meijere (1924a, 1925a, 1939a), Nowakowski (1973a), Pakalniškis (1990a, 1998a), Papp & Černý (2016a), Robbins (1991a), Spencer (1971a, 1972a, 1976a), Starke (1942a), Starý (1930a), Süss (1982a, 1992a), von Tschirnhaus (1999a), Vála & Rohacek (1983a).

Laatste bewerking 1.i.2019