Cerodontha caricicola (Hering, 1926)

8452

Carex sylvatica, Amstelveen, JP Thijssepark

mijn

Lange bovenzijdige gangmijn vooral in het topgedeelte van de bladeren. De mijn daalt af, maar verandert enige malen van richting (op-neer-op). Frass in één grote klomp. Puparium in de mijn, met frass aan de buikzijde in de mijn vastgekit.

waardplanten

Cyperaceae, monofaag

Carex arenaria, digitata, flacca, hirta, leporina, muricata, pendula, pilosa, pilulifera, remota, sempervirens, sylvatica.

C. sylvatica is de voornaamste waardplant.

fenologie

Larven in juli en november-december (Hering, 1957a).

BENELUX

BE waargenomen (Ellis, prov. Liège & Luxembourg).

NE waargenomen (Elis, verscheidene vindplaatsen).

LUX niet waargenomen (Fauna Europaea, 2007).

verspreiding binnen Europa

Van de Baltische Staten tot Frankrijk, en van Engeland tot Hongarije; mogelijk ook in Scandinavië (Fauna Europaea, 2007).

larve

puparium

synoniemen

Dizygomyza, Phytobia sonderupi Hering, 1937.

opmerkingen

Vermeldingen van Carex acutiformis, elata en pseudocyperus berusten vermoedelijk op verwarring met Cerodontha morosa.

Behoort tot het subgenus Dizygomyza (Nowakowski, 1973a).

literatuur

Andersen (2012a), Černý & Merz (2005a, 2007a), Černý & Vála (1999a), Griffiths (1962a, 1964a), Groschke (1954a), Hering (1926b, 1957a), Michalska (1970a), Nowakowski (1973a), Pakalniškis (1990a, 1993a, 1996a), Papp & Černý (2016a), Robbins (1991a), Sønderup (1949a), Spencer (1954a, 1972a, 1976a), von Tschirnhaus (1999a).

mod 9.iii.2018