Cerodontha crassiseta (Strobl, 1900)

mijn

Onder- of bovenzijdige gang die, eventueel een of twee keer omkerend, afdaalt, soms tot in de bladschede. De gang neemt niet de hele bladbreedte in, loopt langs de middennerf. Larve solitair. Frass in één grote klomp in de mijn. Verpopping in de mijn.

waardplanten

Poaceae, oligofaag

Dactylis glomerata; Poa compressa.

fenologie

Larven tussen juni en october in twee generaties. Overwintering als puparium.

BENELUX

BE waargenomen (Fauna Europaea, 2010).

NE waargenomen (Kabos, 1971a).

LUX niet waargenomen (Fauna Europaea, 2010).

verspreiding binnen Europa

Van Duitsland tot het Iberisch Schiereiland en Italië, en van Engeland tot Polen en Hongarije (Fauna Europaea, 2010).

larve

puparium

Bruin, 2.5-3 mm; achterspiracula 2-3 maal zo lang als de afstand van hun bases (Nowakowski, 1973a).

synoniemen

Dizygomyza, Phytobia, crassiseta; Phytobia, Cerodontha, poae Hendel, 1931. In de oudere literatuur vaak verward met C. morosa, die echter op Carex-soorten leeft.

opmerkingen

Behoort tot het subgenus Dizygomyza (Nowakowski, 1973a).

literatuur

Černý (2001a, 2007a, 2010a), Černý, Barták & Vaněk (2009a), Černý & Merz (2007a), Černý & Vála (1999a), Černý, Vála & Barták (2001a), Gil Ortiz (2009a), Groschke (1957a), Hering (1955b, 1957a), Kabos (1971a), de Meijere (1928a), Nowakowsi (1973a), Papp & Černý (2016a), Spencer (1972a), Süss (1982a), von Tschirnhaus (1999a).

mod 1.i.2019