Plantparasieten van Europa

bladmineerders, gallen en schimmels

Cerodontha denticornis

Cerodontha denticornis (Panzer, 1806)

mijn

Mijn begint als een smalle, meestal boven-, maar soms ook onderzijdige of interparenchymale gang in de bladschijf, die afdaalt naar het tongetje en van daaruit verder gaat in de bladschede, meestal de binnenzijde daarvan. Meestal maar één mijn per blad. Verpopping in een poppenwieg aan de rand van de bladschede.

Mijn noch larve zijn te onderscheiden van die van C. fulvipes die, voorzover bekend, uitsluitend leeft op Poa trivialis (Nowakowski, 1973a).

waardplanten

Poaceae, breed oligofaag

Agropyron”; Alopecurus pratensis; Arundo donax; Avena; Calamagrostis arundinacea, epigeios; Dactylis glomerata; Elytrigia repens; Holcus lanatus, mollis; Hordeum vulgare & subsp. distichon; Lolium; Phalaroides arundinacea, Phleum pratense; Poa; Schedonorus giganteus, pratensis; Secale cereale; Triticum aestivum.

Hering (1957a) vermeldt ook Phragmites australis, maar Nowakowski twijfelt daarover.

fenologie

Larven in juni-september, soms october (Nowakowski, 1973a).

BENELUX

BE waargenomen (De Bruyn & von Tschirnhaus, 1991a).

NE waargenomen (de Meijere 1924a).

LUX niet waargenomen (Fauna Europaea, 2007).

verspreiding binnen Europa

Geheel Europa (Fauna Europaea, 2007).

larve

Venturi (1946a), Sasakawa (1961a), Nowakowski (1973a), , Darvas & Papp (1985a), Dempewolf (2001a) en Darvas, Skuhravá & Andersen (2002a) beelden details van larve en puparium af. Voorspiraculum met 12-15 papillen, achterspiraculum met 15 in twee of drie groepen; mandibel met 2 tanden.

synoniemen

Cerodontha acuticornis (Meigen, 1830); C. confinis (Meigen, 1830); C. nigritarsis (Meigen, 1830); C. meigenii (Fallén, 1923); C. nigriventris (Strobl, 1900); C. nigroscutellata (Strobl, 1900); C. semivittata (Strobl, 1909); C. tarsella (Zetterstedt, 1848); C lacustris Garg, 1971; C. narkandae Singh & Ipe, 1973.

opmerkingen

Subgenus Cerodontha (Nowakowski, 1973a).

Er zijn geen meldingen van schade door deze soort, maar hij is in graslanden en graanvelden zeer talrijk, en daarom potentieel gevaarlijk (Dempewolf, 2004a).

literatuur

Andersen (2012a), Andersen & Jonassen (1994a), Benavent, Martínez, Moreno & Jiménez (2004a), Beuk (2002a), De Bruyn & von Tschirnhaus (1991a), Černý (2004a, 2007a, 2010a, 2011a), Černý, Andrade, Gonçalves & von Tschirnhaus (2018a), Černý, Barták & Roháček (2004a), Černý, Barták & Vaněk (2009a), Černý & Merz (2005a, 2006a, 2007a), Černý & Vála (1999a, 2006), Černý, Vála & Barták (2001a), Ci̇velek, Çikman & Dursun (2008a), Darvas & Papp (1985a), Darvas, Skuhravá & Andersen (2002a), Dempewolf (2004a), Gallo (1996a), Gil Ortiz (2009a), Hering (1943a, 1955b, 1957a), Martinez (1987a), de Meijere (1924a, 1939a), Nartshuk (2011a), Nowakowski (1973a), Pakalniškis (1990a), Papp & Černý (2016a), Robbins (1991a), Sasakawa (1961a), Scheirs, De Bruyn & von Tschirnhaus (1995a, 1996a), Spencer (1957g, 1965a, 1966b, 1967a, 1972a,b, 1973b, 1974a, 1976a,b), Starke (1942a), Starý (1930a), Süss (1982a), von Tschirnhaus (1999a), Vála & Rohacek (1983a), Venturi (1946a), Zlobin (1986b).

Laatste bewerking 1.i.2019