Cerodontha fulvipes (Meigen, 1830)

mijn

Mijn begint als een smalle, meestal bovenzijdige, soms interparenchymale gang in de bladschijf, die afdaalt naar het tongetje en van daaruit verder gaat in de bladschede, meestal de binnenzijde daarvan. Meestal maar één mijn per blad. Verpopping in een poppenwieg aan de rand van de bladschede.

Mijn en larve zijn niet te onderscheiden van die van C. denticornis, die een veel breder spectrum van waardplanten heeft (Nowakowski, 1973a).

waardplanten

Poaceae, nauw oligofaag

Poa trivialis.

fenologie

Larven in juli (Nowakowski, 1973a).

BENELUX

BE waargenomen (De Bruyn & von Tschirnhaus, 1991a).

NE waargenomen (de Meijere, 1924a, 1939a).

LUX niet waargenomen (Fauna Europaea, 2007).

verspreiding binnen Europa

Van Scandinavië tot het Iberisch Schiereiland, Italië en Servië, en van Ierland tot de Baltische Staten en Roemenië (Fauna Europaea, 2007).

larve

Voorspiraculum met 12-13 papillen, achterspiraculum met 12, in 3 tot 5 groepen; mandibel met 2 tanden.

synoniemen

Agromyza femoralis Meigen, 1838; A. occulta Meigen, 1838; Odontocera spinicornis Macquart, 1835.

opmerkingen

Subgenus Cerodontha (Nowakowski, 1973a).

literatuur

Beuk (2002a), De Bruyn & von Tschirnhaus (1991a), Černý (2009a, 2011a), Černý, Andrade, Gonçalves & von Tschirnhaus (2018a), Černý, Barták & Vaněk (2009a), Černý & Merz (2005a, 2007a), Černý & Vála (1999a), Černý, Vála & Barták (2001a), Ci̇velek, Çikman & Dursun (2008a), Hering (1956a, 1957a), Martinez (1987a), de Meijere (1924a, 1939a), Nowakowski (1973a), Pakalniškis (1986a, 1990a, 1998a), Parmenter (1949a), Papp & Černý (2016a), Robbins (1991a), Sasakawa (1961a), Scheirs, De Bruyn & von Tschirnhaus (1995a), Spencer (1972a, 1976a), Süss (1982a), von Tschirnhaus (1999a).

mod 1.i.2019