Plantparasieten van Europa

bladmineerders, gallen en schimmels

Cerodontha geniculata

Cerodontha geniculata (Fallén, 1823)

mijn

Bovenzijdige (zelden ten dele onderzijdige) gangmijn, ongeveer halverwege de bladschijf. De larve verandert tenminste tweemaal van richting (top – basis – top…). In het algemeen bereikt de mijn niet de bladschede. Slechts één larve in een mijn (al kunnen verscheidene mijnen op een blad samenvloeien). Frass verspreid in korrels, sliertjes of parelsnoertjes. Verpopping in de mijn; puparium meestal aan de bladbovenzijde.

waardplanten

Cyperaceae, monofaag?

Eriophorum latifolium.

Wellicht ook Carex pseudocyperus.

fenologie

Larven van juli tot september (Nowakowski, 1973a).

BENELUX

BE niet waargenomen (Fauna Europaea, 2007a).

NE waargenomen (de Meijere, 1924a, 1939a).

LUX niet waargenomen (Fauna Europaea, 2007a).

verspreiding binnen Europa

Geheel Europa, vooralsnog exclusief Ierland en de zuidelijke Balkan (Fauna Europaea, 2007a).

larve

Beschreven door Nowakowski (1973a).

synoniemen

Dizygomyza, Phytobia geniculata; Agromyza flavogeniculata von Roser, 1840; Dizygomyza lunzenzis Hering, 1943.

opmerkingen

Behoort tot het subgenus Icteromyza (Nowakowski, 1973a).

literatuur

Beuk (2002a), Černý (2001a, 2010a, 2011a), Černý, Andrade, Gonçalves & von Tschirnhaus (2018a), Černý, Barták & Roháček (2004a), Černý, Barták & Vaněk (2009a), Černý & Merz (2005a, 2007a), Černý & Vála (1996a, 1999a), Černý, Vála & Barták (2001a), Dursun, Civelek, Barták, Kubík, Yildirim & Černý (2015a), Pakalniškis (1998a), Hering (1955b, 1957a), de Meijere (1924a, 1939a), Nowakowski (1973a), Papp & Černý (2016a), Robbins (1991a), Sasakawa (1961a), Spencer (1972a, 1976a,b), Starke (1942a), Starý (1930a), Süss (1982a), von Tschirnhaus (1982a, 1999a), Vála & Rohacek (1983a), Zlobin (1979a).

Laatste bewerking 1.i.2019