Cerodontha hirtae Nowakowski, 1967

op Carex

mijn

Lange bovenzijdige gangmijn die bijna rechtstreeks afdaalt en eindigt in de bladschede. Frass in enkele grote, ver uiteenliggende klompen. Puparium in de mijn, gewoonlijk in de bladschede, vlakbij de laatste frass-prop.

waardplanten

Cyperaceae, nauw monofaag

Carex hirta.

fenologie

Larven van begin juni tot september (Nowakowski, 1973a).

BENELUX

BE waargenomen (Scheirs, De Bruyn & von Tschirnhaus, 1999a).

NE waargenomen (de Meijere (1941a), als Dizygomyza luctuosa op Carex hirta.

LUX niet waargenomen (Fauna Europaea, 2007).

verspreiding binnen Europa

Duitsland, Polen, Tsjechië, Slowakijë (Fauna Europaea, 2007).

larve

synoniemen

Phytobia luctuosa: auctorum (incl. Hering (1957a).

opmerkingen

Subgenus Dizygomyza (Nowakowski, 1973a).

literatuur

Beiger (1970a), Beuk (2002a), Černý (2001a, 2011a), Černý & Merz (2006a), Černý & Vála (1999a), Černý, Vála & Barták (2001a), Kvičala (1938a), de Meijere (1941a), Michalska (1970a, 2003a), Nowakowski (1973a), Papp & Černý (2016a), Scheirs, De Bruyn & von Tschirnhaus (1999a), von Tschirnhaus (1999a)

28/03/2017

mod 25.vii.2017