Cerodontha iridis Hendel, 1927

-0058

Iris foetidissima (© Gabrijel Seljak, Slovenië)

mijn

Twee tot 12 eieren worden apart op een blad afgezet, niet ver van de bladtop. De jonge larven maken aanvankelijk een kort, smal gangetje topwaarts. Vervolgens keert de richting van de gang om en wordt deze breder, zodat de individuele mijnen tot een enkele fuseren (Venturi, 1946b). Het resultaat is een grote blaasachtige mijn, meestal met verscheidene larven. De mijn wisselt sterk in diepte, waardoor deze in doorzicht pleksgewijs verandert van groen tot bijna glasachtig. De mijn bevat een aantal frassklompjes. Verpopping in de mijn. De puparia liggen bij elkaar in een rij, onderaan de mijn, georiënteerd dwars op de lengterichting van het blad.

waardplanten

Iridaceae, monofaag

Iris foetidissima, orientalis, spuria.

Ook op andere tuin-irissen; niet op I. pseudacorus.

fenologie

Larven van juni tot october (Nowakowski, 1973a). In Italië twee generaties (Venturi, 1946b).

BENELUX

Niet waargenomen in de Benelux-landen, maar dat moet een kwestie van tijd zijn: de soort treedt in alle omringende landen in tuinen op, soms zelfs schadelijk (Spencer, 1973b).

verspreiding binnen Europa

Engeland, Duitsland, Frankrijk, Italië, Hongarijë en Portugal (Fauna Europaea); ook Tsjechië, Slovenië.

larve

Beschreven door Nowakowski (1973a).

puparium

synoniemen

Phytobia iridis; Ph. iridophaga Hendel, 1931.

opmerkingen

Behoort tot het subgenus Dizymomyza (Nowakowski, 1973a).

literatuur

Černý (2013a), Griffiths (1962a), Hering (1957a), Nowakowski (1973a), Papp & Černý (2016a), Robbins (1991a), Spencer (1953a, 1954d, 1972a, 1973b), Süss (1982a), von Tschirnhaus (1999a), Vála & Rohacek (1983a)

28/03/2017. It is now 07:09

mod 25.vii.2017