Cerodontha suturalis (Hendel, 1931)

op Bolboschoenus, Carex

8533_hab

Carex arenaria, Zandvoort

8353

een enkel blad

mijn

Bovenzijdige interparenchymale (dus gelige) gangmijn in het middendeel van het blad. De mijn begint niet ver van de bladtop, daalt af en verandert tenminste twee maal van richting; vaak neemt de mijn uiteindelijk de hele breedte van het blad in. Larve solitair. Frass in één grote klomp. Verpopping in de mijn. Het puparium is, in de lengterichting van het blad, aan zijn boven- en onderzijde in de mijn vastgeplakt.

waardplanten

Cyperaceae, monofaag?

Carex arenaria, hirta; Bolboschoenus maritimus.

fenologie

Larven van juni tot augustus (Nowakowski, 1973a).

BENELUX

BE waargenomen (Scheirs, De Bruyn & von Tschirnhaus, 1996a).

NE waargenomen (Ellis: Zandvoort, 2002).

LUX niet waargenomen (Fauna Europaea. 2007).

verspreiding binnen Europa

Van Engeland tot Litouwen en Hongarije; ook in Bulgarijë (Fauna Europaea. 2007).

larve

Achterspiraculum met 3 verlengde papillen, waarvan er twee niet vrij afstaan, maar zich om de basis van het spiraculum vouwen (Nowakowski, 1973a).

puparium

Glanzend kastanjebruin met aan boven- en onderzijde een brede diffuse bruinzwarte lengteband; tussen de segmenten vrij diepe insnoeringen (Nowakowski, 1973a).

opmerkingen

Behoort tot het subgenus Dizygomyza (Nowakowski, 1973a).

Veel verwijzingen naar Cerodontha morosa (Meigen) van vóór de publicatie van Nowakowski’s monografie, hebben betrekking op C. suturalis.

Robbins (1991a) noemt ook Carex paniculata en sylvatica als waardplanten. Ook al omdat Nowakowski schrijft dat suturalis een voorkeur heeft voor warme en droge milieus is dit niet erg waarschijnlijk. Hiertegenover staat dat, ondanks eerdere twijfel, door Warrington is vastgesteld dat suturalis ook kan voorkomen op Bolboschoenus maritimus, een uitgesproken helophyt.

De vlieg verlaat de mijn òf via een langgerekte snede precies in in de bladrand, of een J-vormige snede die aansluit bij de bladrand.

literatuur

Černý (2001a, 2009a, 2010a, 2011a), Černý, Andrade, Gonçalves & von Tschirnhaus (2018a), Černý, Barták & Vaněk (2009a), Černý & Merz (2006a), Černý & Vála (1996a, 1999a, 2006a), Dursun, Civelek, Barták ao (2015a), Nowakowski (1973a), Ostrauskas, Pakalniškis & Taluntytė (2003a), Pakalniškis (1995a), Papp & Černý (2016a), Scheirs, De Bruyn & von Tschirnhaus (1996a), Robbins (1991a), Spencer (1971a, 1972a, 1976a), Vála & Rohacek (1983a), von Tschirnhaus (1999a), Warrington (2018c), Zlobin (1983b).

mod 1.i.2019