Cerodontha vigneae Nowakowski, 1967

mijn

Bovenzijdige, plaatselijk interparenchymale blaasmijn die de hele breedte van het blad inneemt, ongeveer halverwege top en bladbasis; frass in enkele grote klompen. Verpopping binnen de mijn, puarium doirsaal en ventraal vastgekit in de mijn. Vaak verscheidene, samenvloeiende mijnen in één blad.

waardplanten

Cyperaceae, monofaag

Carex divulsa, pseudocyperus, spicata, vulpina.

fenologie

Larven van juni tot augustus, twee tot drie generaties (Nowakowski, 1973a).

BENELUX

Niet bekend uit de Benelux-landen (Fauna Europaea, 2010).

verspreiding binnen Europa

Van Zweden tot de Alpen en van Frankrijk tot Polen en Hongarijë (Fauna Europaea, 2010).

larve

Achterspiraculum aan de basis, lateraal, met een zwarte wrat, die van een soort wortel is voorzien; de wratten zijn zeer groot en mediaan vergroeid (Nowakowski, 1973a).

puparium

Het overwinterende puparium is rood- tot zwartbruin, het zomerpuparium is geelwit tot geelbruin. Bij het zomerpuparium laat dorsaal en ventraal de oude larvehuid los van de pop, en vormt twee grote blazen.

opmerkingen

Behoort tot het subgenus Butomyza (Nowakowski, 1973a).

literatuur

Černý (2007a), Černý & Vála (1996a), Nowakowski (1973a), Papp & Černý (2016a), Spencer (1976a), von Tschirnhaus (1999a).

28/03/2017

mod 24.vii.2017