Plantparasieten van Europa

bladmineerders, gallen en schimmels

Chromatomyia succisae

Chromatomyia succisae (Hering, 1922)

mijn

Zeer lange , tot het eind zeer smalle, vaak vertakte, grotendeels onderzijdige gangmijn die zichzelf vaak oversnijdt, meestal in het topdeel van het blad. Frass in losse korrels. Verpopping in de mijn, puparium in een poppenwieg. In de omgeving van de mijn is het blad bijna altijd violet verkleurd.

waardplanten

Caprifoliaceae, oligofaag

Knautia arvensis; Scabiosa columbaria;Succisa pratensis.

Succisa is de voornaamste waardplant. Hering (1957a) noemt de soort ook in verband met Dipsacus.

fenologie

Larven in mei-juni en juli-augustus (Hering, 1957a); overwintering als imago (Hering, 1925b).

BENELUX

BE niet waargenomen (Fauna Europaea, 2007).

NE als Nederlands gemeld door Beuk (2002a), op basis van een vermelding door Theowald (1961a), die de soort overwinterend gevonden zou hebben in sigaargallen van Liparis in riet. Dat leek niet erg waarschijnlijk. De oecologie van riet en van de waardplanten van Ch. succisae verschillen sterk. Dr Herman de Jong was zo vriendelijk Theowald’s enige exemplaar, dat zich bevindt in het Zoölogisch Museum te Amsterdam, te controleren. Het is niet in zeer goede staat, waardoor een positieve determinatie niet mogelijk was, maar het is met zekerheid geen succisae.

LUX niet waargenomen (Fauna Europaea, 2007).

verspreiding binnen Europa

Van Denemarken tot de Pyreneeën en Italië, en van Ierland tot Polen (Fauna Europaea, 2007).

larve

.

puparium

Wit.

synoniemen

Phytomyza succisae.

literatuur

Beuk (2002a), Bland (1992b), Černý (2007a), Černý & Merz (2006a), Černý & Vála (2006a), Ci̇velek, Çikman & Dursun (2008a), Gil Ortiz (2009a), Griffiths (1962a), Hering (1922a, 1925b, 1955a,b, 1957a), Maček (1999a), de Meijere (1926a), Pakalniškis (1982b), Robbins (1991a), Sønderup (1949a), Spencer (1972a), Starke (1942a), Süss & Moreschi (2003a), von Tschirnhaus (1999a).

Laatste bewerking 10.vii.2018