Galiomyza morio (Brischke, 1880)

Galiomyza morio:  mine on Rubia peregrina

Rubia peregrina, Spanje, Asturias, Gijón, Rio Ñora; © Jean-Yves Baugnée

7457tr_1

Galium odoratum, Duitland (Baden-Württemberg), Baden-Weiler

7457tr_2

ander exemplaar

mijn

Lange, bovenzijdige, gaandeweg breder wordende gangmijn, niet zelden een secundaire blaas vormend. De gang oversnijdt zichzelf regelmatig. Frass in onregelmatige korrels of korte sliertjes. De larve verlaat voor de verpopping de mijn via een boogsnede in de onderepidermis.

waardplanten

Rubiaceae, oligofaag

Cruciata laevipes; Galium aparine, aristatum, boreale, intermedium, megalospermum, mollugo, odoratum, rotundifolium, rubioides, sylvaticum, verum; Rubia pergrina, tinctorum; Sherardia arvensis.

fenologie

Larven in juni-juli en september-october (Hering, 1957a).

BENELUX

BE waargenomen (Scheirs, De Bruyn & Verdyck, 1993a).

NE niet waargenomen (Fauna Europaea, 2007). Kabos (1971a) noemt Dizgygomyza morio in de lijst van voedselplanten (walstro), en niet in de lijst van soorten die in Nederland te verwachten zijn, wat als indicatie kan worden gezien dat hij de soort in Nederland heeft waargenomen. Hij noemt morio echter niet in de bespreking per soort.

LUX niet waargenomen (Fauna Europaea, 2007).

verspreiding binnen Europa

Van Scandinavië tot de Pyreneeën, en van Engeland tot Roemenië (Fauna Europaea, 2007); Bulgarijë (Buhr, 1941b).

larve

Beschreven door de Meijere (1925a) en Dempewolf (2001a); achterspiracula met 13-15 kleine papillen in een ellips.

Voorzover ik levende larven gezien heb, zijn die van G. galiivora heldergeel, en die van G. morio wittig; of dit een bruikbaar onderscheid is moet nog blijken.

synoniemen

Liriomyza, Dizygomyza, Praspedomyza, Phytobia morio.

literatuur

Ahr (1966a), Beiger (1955a, 1960a, 1965a, 1970a, 1979a), Buhr (1930a, 1932a, 1941b, 1964a), Černý (2011a), Černý & Merz (2007a), Černý & Vála (1999a), Černý, Vála & Barták (2001a), Csóka (2003a), Dempewolf (2001a), Drăghia (1967a, 1968a, 1971a), Haase (1942a), Hartig (1939a), Hering (1924a, 1955b, 1957a, 1967a), Huber (1969a), Kabos (1971a), Kvičala (1938a), Maček (1999a), de Meijere (1925a), Michalska (1970a, 1972a, 1976a), Michna (1975a), Papp & Černý (2018a), Pârvu (2005a), Popescu-Gorj & Drăghia (1968a), Robbins (1991a), Sasakawa (1961a), Scheirs, De Bruyn & Verdyck (1993a), Skala & Zavřel (1945a), Sønderup (1949a), Spencer (1954a, 1969b, 1971a, 1972a, 1974a, 1976a), Starke (1942a), Starý (1930a), von Tschirnhaus (1999a), Zoerner (1969a).

mod 7.iii.2018