Liriomyza angulicornis (Malloch, 1918)

mijn

Smalle gangmijn, die rond de bladeren spiraliseert; vaak verloopt een deel van de mijn in het dieper gelegen deel van het blad. Frass in sliertjes. Verpopping gewoonlijk in de mijn.

waardplanten

Juncaginaceae, monofaag

Triglochin maritima.

fenologie

Larven in juli-augustus (Hering, 1957a).

BENELUX

BE Niet bekend van de Benelux-landen (Fauna Europaea, 2007). Omdat de soort gevonden in in het waddengebied bij Kiel (von Tschirnhaus, 1981a) is de soort in Nederland te verwachten.

verspreiding binnen Europa

Van Scandinavië tot Duitsland, en van Engelland tot Polen (Fauna Europaea, 2007).

synoniemen

Liromyza angularis Hendel, 1920; L. triglochinae Hendel, 1931.

opmerkingen

Tot voor het onderzoek door von Tschirnhaus (1981a) naar de mineerdersfauna van de Duitse waddenkust nam men aan dat er op Triglochin maritimum en palustre slechts één Liriomyza voorkwam, L. triglochinae (recentelijk omgedoopt in L. angulicornis). Von Tschirnhaus vond dat op T. maritimum twee Liriomyza’s door elkaar voorkomen, soms zelfs in dezelfde mijn: L. angulicornis en L. latipalpis Hendel. Welke van de twee voorkomt op T. palustre is nog onbekend.

literatuur

Hering (1928a, 1957a), Papp & Černý (2018a), Spencer (1972a, 1976a), von Tschirnhaus (1981a, 1999a).

mod 7.iii.2018