Liriomyza eupatoriana Spencer, 1954

mijn

Gangmijn, bijna altijd in de uiterste top van een bladslip. De gang is zo sterk gekronkeld dat de onderdelen samenvloeien en er een compacte secundaire mijn ontstaat. Als de mijn in uitzonderingsgevallen niet in de bladtop ligt, ligt hij stijf tegen de bladrand, nooit in het centrum van het blad. Frass in onregelmatige zwarte slierten en klomppen, vaak wijd uiteen, alternerend langs de zijden van de gang. De mijn is bovenzijdig, op het allerlaatste deel van de gang na, dat onderzijdig is. Hier vindt de verpopping plaats; het puparium steekt half uit de mijn naar buiten (Spencer, 1954c).

waardplanten

Asteraceae: monofaag

Euptorium cannabinum.

fenologie

Larven in zomer en in najaar (Robbins, 1991a).

BENELUX

Niet bekend uit de Benelux-landen (Fauna Europaea, 2008).

verspreiding binnen Europa

Van Litouwen tot het Iberisch Schiereiland, en van Engeland tot Italië en Servië (Fauna Europaea, 2008).

larve

Achterspiraculum met 3 papillen.

puparium

Geel.

literatuur

Beiger (1980a), Černý (2013a), Drăghia (1968a), Griffiths (1962a), Maček (1999a), Manning (1956a), Michalska (1970a, 2003a), Pakalniškis (1990a, 1993a), Papp & Černý (2018a), Robbins (1991a), Spencer (1954a,c, 1972a), von Tschirnhaus (1999a), Ureche (2010a), Zoerner (1970a).

mod 8.iii.2018