Plantparasieten van Europa

bladmineerders, gallen en schimmels

Liriomyza eupatorii

Liriomyza eupatorii (Kaltenbach, 1873)

koniningekruid-spiraalmineerder

Asteraceae

Liriomyza eupatorii: mine on Eupatorium cannabinum

Eupatorium cannabinum, België, prov. Antwerpen, Meerhout, Zeeploop, 17.vi.2016 © Carina Van Steenwinkel

Liriomyza eupatorii: occupied mine on Galeopsis spec.

Galeopsis spec., België, prov. Limburg, Ham, de Rammelaars, 14.vi.2013 © Carina Van Steenwinkel: bezette mijn

Liriomyza eupatorii: vacated mines on Galeopsis spec.

Galeopsis spec., België, prov. Antwerpen, Olen, 13.viii.2017 © Carina Van Steenwinkel: twee verlaten mijnen

Liriomyza eupatorii: vacated mine on Galeopsis spec.

Galeopsis spec., België, prov. Limburg, Meldert, Schurfert, 16.viii.2016 © Carina Van Steenwinkel: ongewoon zware frass-lijn

Liriomyza eupatorii: mine on Eupatorium cannabinum

Eupatorium cannabinum, Bergen NH

Liriomyza eupatorii: mine on Eupatorium cannabinum

Eupatorium cannabinum, Bergsche Heide

Liriomyza eupatorii: mine on Galeopsis tetrahit

Galeopsis tetrahit, België, prov. Namen, Olloy-sur-Viroin © Stéphane Claerebout

Liriomyza eupatorii: vacated mine on Galeopsis spec.

Galeopsis spec., lg Welna © Hans Jonkman

mijn

Bovenzijdige gangmijn. Het begin is gewonden in een dichte, later bruin-gekleurde spiraal; deze gaat over in een lange meestal onvertakte gang van bijna constante breedte. Frass in lange dikke slierten. Wanneer de mijn aan de bladrand begint kan de beginspiraal ontbreken; de dikke frass-strengen zijn dan toch nog kenmerkend genoeg. De larve verlaat de mijn voor de verpopping via een onderzijdig boogvormig sneetje in de epidermis.

waardplanten

Asteraceae & Lamiaceae; nauw polyfaag

Aster; Euptorium aromaticum, cannabinum; Galeopsis angustifolia, pubescens, segetum, speciosa, tetrahit; Helianthus; Lapsana communis; Solidago virgaurea.

Alleen op Eupatorium en Galeopsis wordt de soort met (zeer grote) regelmaat gevonden. Ostrauskas, Pakalniškis & Taluntytė (2003a, Litouwen) noemen de soort van Stachys arvensis.

fenologie

Larven in mei-juni en juli-augustus (Hering, 1957a).

BENELUX

BE waargenomen (De Bruyn & von Tschirnhaus, 1991a).

NE waargenomen (de Meijere, 1924a).

LUX waargenomen (Ellis: Kautenbach, Hobscheid, Dudelange).

verspreiding binnen Europa

Van Scandinavië tot het Iberisch Schiereiland en Italië, en van Ierland tot Estland, Polen en Hongarije (Fauna Europaea, 2008).

larve

synoniemen

Liriomyza fasciola eupatorii; Liriomyza orbitella Hendel, 1931.

Papp & Černý (2018a) wijzen op de grote overeenkomst, zowel in uiterlijke kenmerken als in de genitalia, tussen L. eupatorii en L. pusilla. Op grond van dit argument synonymiseren zij eupatorii met pusilla. Gezien het grote verschil in biologie tussen beide soorten, en zonder experimentele bevestiging of in elk geval een bestudering van het DNA is deze synonymie een slag in de lucht.

literatuur

Beiger (1955a, 1960a, 1970a, 1979a), Beuk (2002a), Buhr (1932a, 1941b, 1964a), De Bruyn & von Tschirnhaus (1991a), Černý (2001a), Černý, Barták & Roháček (2004a), Černý & Merz (2007a), Černý & Vála (1999a), Černý, Vála & Barták (2001a), Ci̇velek, Çikman & Dursun (2008a), Drăghia (1968a), Eiseman & Lonsdale (2018a), Eiseman, Lonsdale, van der Linden ao (2021a), van Frankenhuyzen, Houtman & Kabos (1982a), Gil Ortiz (2009a), Haase (1942a), Hartig (1939a), Hering (1921a, 1955a), Huber (1969a), Kabos (1971a), Kvičala (1938a), Maček (1999a), de Meijere (1924a, 1925a, 1939a), Michalska (1970a, 1972a, 1976a, 2003a), Michna (1975a), Nowakowski (1954a), Ostrauskas, Pakalniškis & Taluntytė (2003a), Pakalniškis (1982b,1990a), Papp & Černý (2018a), Robbins (1991a), Rydén (1926a), Scheirs, De Bruyn & von Tschirnhaus (1995a), Scheirs, De Bruyn & Verdyck (1993a), Skala & Zavřel (1945a), Sønderup (1949a), Spencer (1954a,b, 1972a, 1976a), Stammer (2016a), Starý (1930a), Süss (1979a), Starke (1942a), von Tschirnhaus (1999a), Ureche (2010a), Zoerner (1969a, 1970a).

Laatste bewerking 19.ii.2021