Liriomyza flaveola (Fallén, 1823)

gele grasmineervlieg

Liriomyza flaveola: mine on Schedonorus giganteus

Schedonorus giganteus, Susteren

Liriomyza flaveola: larva in its mine on Bromopsis erecta

Bromopsis erecta, België, prov. Namen, Saint-Servais © Jean-Yves Baugnée

mijn

Tot het einde toe een smalle gang, wittig, onder- of bovenzijdig, meestal van boven naar beneden lopend. Mijn vaak langs de bladrand. Frass in duidelijke korrels van gelijkmatige grootte, regelmatig afwisselend langs de wanden van de mijn. Verpopping buiten de mijn.

waardplanten

Poaceae, breed oligofaag

Agrostis; Aira; Alopecurus myosuroides; Arrhenatherum elatius; Anthoxanthum; Apera spica-venti; Avena barbata, sativa; Avenella flexuosa; Avenula pubescens; Briza media, maxima; Bromopsis erecta; Bromus hordeaceus; Calamagrostis canescens; Dactylis glomerata; Elytrigia repens; Eragrostis; Gaudinia; Holcus lanatus; Hordeum vulgare; Lolium perenne; Milium effusum; Ochlopoa annua; Phalaroides arundinacea; Phleum; Poa nemoralis, palustris; Schedonorus giganteus.

fenologie

Larven in mei-juni en augustus-october (Hering, 1957a).

BENELUX

BE waargenomen (De Bruyn & von Tschirnhaus, 1991a).

NE waargenomen (de Meijere, 1924a).

LUX niet waargenomen Liriomyza flaveola

verspreiding binnen Europa

Van Scandinavië tot het Iberisch Schiereiland en Italië, en van Ierland tot Wit-Rusland en Hongarijë; ook in Thracië (Fauna Europaea, 2008); Bulgarijë (Buhr, 1941b); Japan (Sasakawa, 2005a).

larve

puparium

Beschreven door de Meijere (1925a). Venturi (1939a) geeft er een afbeelding van. Spencer (1973b) noemt het puparium roodbruin, de Meijere glanzend geelbruin, Hering (1957a) geel.

synoniemen

Agromyza blanda Meigen, 1830; A. albicornis Meigen, 1838; A. variegata Meigen, 1838 (niet 1830).

opmerkingen

Beri (1971d) beschrijft de larve van een onbekende Lamiaceae-soort; dat kan niet serieus worden genomen.

literatuur

Ahr (1966a), Andersen (2016a), Beiger (1955a, 1965a, 1970a, 1979a, 1989a), Benavent, Martínez, Moreno & Jiménez (2004a), Beri (1971d), Beuk (2002a), De Bruyn & von Tschirnhaus (1991a), Buhr (1932a, 1941b), Černý (2001a, 2007a, 2011a, 2013a), Černý, Andrade, Gonçalves & von Tschirnhaus (2018a), Černý, Barták & Roháček (2004a), Černý, Barták & Vaněk (2009a), Černý & Merz (2005a, 2007a), Černý & Vála (1999a), Černý, Vála & Barták (2001a), Ci̇velek, Çikman & Dursun (2008a), Darvas & Papp (1985a); Dempewolf (2004a), van Frankenhuyzen, Houtman & Kabos (1982a), Gil Ortiz (2009a), Griffiths (1962a), Hartig (1939a), Hering (1925a, 1926b, 1932g, 1955b, 1957a, 1960a, 1967a), Huber (1969a), Kabos (1971a), de Meijere (1924a, 1925a, 1939a), Michalska (1976a, 2003a), Ostrauskas, Pakalniškis & Taluntytė (2003a), Pakalniškis (1986a, 1990a, 1998a), Papp & Černý (2018a), Robbins (1991a), Sasakawa (2005a), Scheirs, De Bruyn & von Tschirnhaus (1995a, 1996a, 1999a), Skala (1936a), Skala & Zavřel (1945a), Sønderup (1949a), Spencer (1957g, 1971a, 1972a,b, 1973b, 1976a), Starke (1942a), Süss (1982a), von Tschirnhaus (1982a, 1999a), Vála & Rohacek (1983a), Venturi (1939a), Zlobin (1986b).

mod 3.vii.2019