Liriomyza groschkei Spencer, 1956

mijn

Aanvankelijk een smal, heel ondiep gangetje dat langs de hoofdnerf naar boven loopt. Bij de bladtop verbreedt het zich tot een blaas, die zich vervolgens in de richting van de bladbasis uitbreidt. In de blaas zijn de primaire vraatlijnen duidelijk. Frass in de gang als fijne korreltjes, in de blaas onregelmatig verspreid. Verpopping buiten de mijn.

waardplanten

Asteraceae, monofaag

Tragopogon pratensis.

fenologie

Larven in augustus.

BENELUX

Niet bekend uit de Benelux-landen (Fauna Europaea, 2010).

verspreiding binnen Europa

Duitsland, Polen, Litouwen (Fauna Europaea, 2010).

larve

literatuur

Hering (1955a, 1957a), Pakalniškis (1998a), Spencer (1955a, 1971a), von Tschirnhaus (1999a).

08/08/2010

mod 19.vii.2017