Liriomyza huidobrensis (Blanchard, 1926)

mijn

Gangmijn; de mijn begint gewoonlijk met een kort bovenzijdig gedeelte, maar is vervolgens onderzijdig, dus in het sponsparenchym. Vaak volgt de mijn over grote afstanden de hoofdnerf of een dikke zijnerf. Meeste mijnen in het basale deel van het blad. De frass ligt in draadstukjes en sliertjes (volgens Steck, 2002a, in een centrale lijn). Verpopping buiten de mijn.

waardplanten

Dicotylen, zeer polyfaag

Allium cepa; Aster; Beta vulgaris; Capsicum annuum; Chrysanthemum; Cucumis melo; Gerbera; Gypsophila; Lactuca satival Lycopersicon esculentum; Pisum sativum; Spinacia oleracea; Vicia faba.

BENELUX

BE waargenomen (Scheirs, De Bruyn & von Tschirnhaus, 1995a).

NE waargenomen de Goffau (1991a).

LUX niet waargenomen (Fauna Europaea, 2008).

verspreiding binnen Europa

Vrijwel cosmopolitisch; in gematigde streken hoofdzakelijk in kassen.

larve

Achterspiraculum met 6-9 papillen, geplaatst in een ellips. (Darvas, Skuhravá & Andersen schrijven per vergissing dat het voorspiraculum 6-9 papillen heeft.) De larve in het derde stadium hebben aan de voorzijde, dorsaal, een geel-oranje vlek (Collins)/

puparium

Geel- tot roodbruin.

synoniemen

Liriomyza cucumifoliae Blanchard 1938; L. decora Blanchard, 1964; L. dianthi Frick, 1958; L. langei Frick, 1951. Volgens veel auteurs is L. langei wel degelijk een goede soort, maar uiterst moeilijk te onderscheiden van huidobrensis (Dempewolf, 2004).

opmerkingen

Een van oorsprong Zuid-Amerikaanse soort, die zich als plaag van cultuurgewassen over de gehele wereld heeft verspreid (Darvas, Skuhravá & Andersen, 2000a; Steck, 2002a; Central Science Laboratory, UK, 2004a). In Nederland voor het eerst als plaaginsect waargenomen in 1989, op uiteenlopende gewassen als sla, ijsbergsla, gypsophila en tomaat (de Goffau, 1991a). In onze streken hoofdzakelijk een probleem in kassen, maar toch zijn er gevallen van overwintering in de open lucht waargenomen (Van der Linden, 1993a) en ‘s zomers kan ook buiten grote schade worden aangericht (Oudman e.a. 1993a). De hierboven genoemde waarneming uit België heeft betrekking op volwassen vliegen in een natuurreservaat. Onder meer Dempewolf (2004a), Parella & Bethke (1984a), Prando & da Cruz (1986a) en Spencer (1973b) geven een aantal biologische details over deze soort.

literatuur

Andersen (2016a), Benavent, Martínez, Moreno & Jiménez (2004a), Černý, Andrade, Gonçalves & von Tschirnhaus (2018a), Černý & Merz (2007a), Černý & Vála (1996a, 2006a), Černý, Vála & Barták (2001a), Chen & Wang (2006a), Ci̇velek, Çikman & Dursun (2008a), Collins (0000a), Darvas, Skuhravá & Andersen (2000a), Dempewolf (2004a), de Goffau (1991a), Iwasaki, Iwaizumi & Takano (2004), Van de Linden (1993a), Oudman ao (1993a), Papp & Černý (2018a), Parella (1987a), Parella & Bethke (1984a), Parella, Jones, Youngman & LeBeck (1985a), Prando & da Cruz (1986), Scheirs, De Bruyn & von Tschirnhaus (1995a), Šefrová (2015a), Shiao (2004a), Spencer (1973b), Steck (2002a), Süss (1991b), von Tschirnhaus (1999a).

mod 15.xii.2018