Liriomyza ptarmicae de Meijere, 1925

bertramsnoertjesmineervlieg

op Achillea, Anthemis, Glebionis

Liriomyza ptarmicae: vacated mine on Achillea ptarmica

Achillea ptarmica, België, prov. Namen, Philippeville, RN les Tournailles, 17.vii.2018 © Stéphane Claerebout

17014

Achillea millefolium, Bemelen

17438

Achillea ptarmica, Amstelveen, Schinkelbos

mijn

Een smalle bruinige gangmijn die zowel onderzijdig als bovenzijdig kan zijn. Frass in slierten of parelsnoertjes. Verpopping buiten de mijn. In kleine blaadjes kan de mijn voldiep zijn, en het hele blad in beslag nemen (Buhr, 1932a). In elk geval bij Achillea millefolium ligt de mijn meestal in de top van een blad.

waardplanten

Asteraceae, oligofaag

Achillea distans, millefolium, ptarmica, seidlii; Anthemis arvensis; Glebionis coronaria.

fenologie

Larven in augustus Hering (1957a).

BENELUX

BE waargenomen (Ellis: Bois d’Etalles).

NE waargenomen (de Meijere, 1939a).

LUX waargenomen (Ellis: Kautenbach).

verspreiding binnen Europa

Van Scandinavië tot de Pyreneeën, Alpen en Hongarije, en van Engeland tot Wit-Rusland; ook Sicilië (Fauna Europaea, 2008).

larve

puparium

synoniemen

Liriomyza aesalon Hering, 1936; Liriomyza chrysanthemi Hering, 1956; Liriomyza millefolii Hering, 1927 [Spencer, 1971a, 1976a], L. pilosa Spencer, 1969. L. ptarmicae is lang verward met L. pumila, die op zijn beurt tegenwoordig als synoniem van L. strigata wordt beschouwd.

opmerkingen

In 2004 door mij Phytomyza corvimontana als Nederlands vermeld, op grond van twee monsters van lege mijnen uit Overijssel. In 2007 werd echter in Amstelveen op A. ptarmica mijnenmateriaal verzameld, waarvan de mijn opnieuw geheel voldeed aan de beschrijving van corvimontana (met name de frass fijnkorrelig, foto hieronder), maar waarvan de larve duidelijk een Liriomyza was. Vooralsnog veronderstel ik daarom dat al het Nederlandse materiaal van “corvimontana” als L. ptarmicae moet worden beschouwd.

187439

Achillea ptarmica, Amstelveen, Schinkelbos

literatuur

Ahr (1966a), Andersen (2016a), Beuk (2002a), Buhr (1932a), (Černý 2001a, 2007a), Černý, Andrade, Gonçalves & von Tschirnhaus (2018a), Černý, Barták & Roháček (2004a), Černý & Vála (1996a, 1999a), Černý, Vála & Barták (2001a), Eiseman & Lonsdale (2018a), van Frankenhuyzen, Houtman & Kabos (1982a), Hering (1927b, 1931f, 1936c, 1955b, 1956a, 1957a), Huber (1969a), (Kabos, 1971a), Martinez (1984a), de Meijere (1925a, 1939a), Ostrauskas, Pakalniškis & Taluntytė (2003a), Pakalniškis (1982b, 1990a, 1994a, 1998a), Papp & Černý (2018a), Robbins (1991a), Sasakawa (1994a), Sønderup (1949a), Spencer (1954a, 1966b, 1971a, 1972a, 1976a), Starke (1942a), Surányi (1942a), von Tschirnhaus (1999a), Zlobin (1986b).

mod 15.xii.2018