Liriomyza tanaceti de Meijere, 1924

17046

Tanacetum vulgare, Goirle, Rechte Heide

mijn

Smalle bovenzijdige gangmijn. De mijn volgt vaakt de nerven, en krijgt daardoor vaak nogal wat vertakkingen. Frass in sliertjes. Verpopping buiten de mijn.

waardplanten

Asteraceae, monofaag

Tanacetum corymbosum, vulgare.

Vermeldingen van Chrysanthemum leucanthemum of vulgare [=Leucanthemum vulgare] zijn niet onwaarschijnlijk (de twee plantengeslachten zijn zeer nauw verwant); een vermelding van Artemisia vulgaris (Beiger, 1960) berust echter wel op een vergissing.

fenologie

Larven in juni-september (Hering, 1957a).

BENELUX

BE waargenomen (Scheirs, De Bruyn & Verdyck, 1993a).

NE waargenomen (de Meijere, 1924a)

LUX waargenomen (Ellis: Kautenbach).

verspreiding binnen Europa

Van Scandinavië tot het Iberisch Schiereiland, en van Ierland tot Polen (Fauna Europaea, 2008).

larve

Beschreven door de Meijere (1925a); achterspiraculum met 8-10 papillen.

puparium

Gelig.

synoniemen

Liromyza hieracii tanaceti.

literatuur

Ahr (1966a), Beiger (1960a), Beuk (2002a), Buhr (1932a, 1964a), Černý (2009a), Drăghia (1974a), van Frankenhuyzen, Houtman & Kabos (1982a), Griffiths (1956a), Haase (1942a), Hering (1955b, 1957a), Kabos (11971a), Kvičala (1938a), Maček (1999a), de Meijere (1924a, 1925a, 1939a), Michalska (1970a, 2003a), Nowakowski (1954a), Ostrauskas, Pakalniškis & Taluntytė (2003a), Pakalniškis (1982b, 1990a), Papp & Černý (2018a), Robbins (1991a), Scheirs, De Bruyn & Verdyck (1993a), Skala & Zavřel (1945a), Sønderup (1949a), Spencer (1957g, 1972a, 1976a), Starke (1942a), Surányi (1942a), von Tschirnhaus (1999a), Zoerner (1969a, 1970a).

mod 10.iii.2018